Huwelijksakte van Pieter (Jelles) Troelstra en Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer, Renkum 11 oktober 1888 met kantmelding, en akte van inschrijving van het vonnis van echtscheiding van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, 27 december 1907.
Op 11 oktober 1888 werd te Renkum het huwelijk gesloten tussen de 28- jarige advocaat Pieter Troelstra (1860-1930) en de evenoude Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer (1860-0000), bekender als de schrijfster Nienke van Hichtum.
De sociale nood van de arbeidersklasse bestreed Troelstra - anders dan bijvoorbeeld Domela Nieuwenhuis - via de parlementaire oppositie, door de oprichting van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP); in 1897 vertegenwoordigde hij de SDAP in de Tweede Kamer. In 1903 voerde hij felle debatten met Abraham Kuyper over de spoorwegstaking. Tegen zijn wil in wilde de SDAP in 1913 na de succesvolle verkiezingen geen regeringsverantwoordelijkheid nemen. Een voorgenomen staatsgreep mislukte, en Troelstra erkende zich te hebben vergist in de revolutionaire gezindheid van zijn landgenoten.
De auteur Nienke van Hichtum schreef vanuit maatschappelijke bewogenheid een aantal verhalen, waarin - naar pedagogische opvattingen van toen - 'het kind het kind werd gelaten'. Het meest bekend werd ze met Afke 's tiental, dat inmiddels de vijftigste druk heeft bereikt. De Haagse Jan Campertstichting stelde na haar dood op grond van haar literaire werk de Nienke van Hichtumprijs in voor auteurs van jeugdboeken.
(RAGld, burgerlijke stand, Renkum huwelijken 1888, akte 36)
zaterdag 22 februari 2014
zaterdag 15 februari 2014
Paul Johan Reijmer (1882-1952)
Ten onrechte staat op Wikipedia dat deze man de naamgever is van de Reijmerweg in Renkum. Het is bekend dat de archieven van de gemeente Renkum verbrand zijn in WOII. Anders was deze verwarring niet ontstaan.
Paul is wel in Renkum geboren, maar de Reijmerweg had die naam al toen Paul Reijmer nog een jonge man was en bovendien geeft zijn staat van dienst ook geen aanleiding voor deze eer.
Zie bijvoorbeeld http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/bwn3/reijmer. Daar vind je o.a. de volgende passages:
“Reijmer, Paul Johan (1882-1952) ……. Een
ernstige ziekte noodzaakte Reymer in september 1928 zijn financiën te laten
beheren door zijn zwager notaris J.B. Luykx. Deze bemerkte dat Reymer
aanzienlijke ongedekte schulden had die hij hielp saneren.Zie bijvoorbeeld http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/bwn3/reijmer. Daar vind je o.a. de volgende passages:
Daartoe aangezocht door
kabinetsformateur Ruijs de Beerenbrouck, werd Reymer op 10 augustus 1929
minister van Waterstaat. Het bleek geen gelukkige keuze te zijn, omdat hij -
ondanks de aanstelling op 1 april 1930 van J.A. Ringers als directeur-generaal
van Waterstaat - weinig greep kreeg op het omvangrijke ambtelijke apparaat.
H.W. Tilanus vond hem 'als bewindsman weinig constructief' en P.J. Oud noemde
hem achteraf zelfs 'volkomen onministrabel'. Het zendtijdbesluit 1930 van
Reymer, uitgesproken gunstig voor de confessionele omroepen KRO en NCRV, werd
door een meerderheid van het parlement goedgekeurd, maar bracht de AVRO ertoe
het overleg met de minister af te breken.
Na zijn aftreden als minister
in mei 1933 bleef Reymer ambteloos tot 1 januari 1935, toen hij burgemeester
van Roermond werd. In deze gemeente van 17.000 inwoners beheerde hij de
portefeuilles van financiën en onderwijs. Een groot succes is dit latere burgemeesterschap
niet geworden. Hij kreeg als noorderling weinig voeling met de bevolking, wat
hem vooral na de Duitse bezetting in mei 1940 parten zou spelen. Ook al
beschuldigde het illegale blad Oranjepost van 21 september 1941 hem
er ten onrechte van geheim lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB)
te zijn, hij ging wel vrij ver in zijn samenwerking met Duitse instanties en
met de nationaal-socialistische commissaris van de provincie Limburg,
M.V.E.H.J.M. graaf De Marchant et d'Ansembourg. Dit bleek bijvoorbeeld bij het
ontslag dat Reymer de gemeentesecretaris, H.L.M. Kramer, eigenmachtig verleende
op 6 december 1941, en uit het bijwonen van een demonstratie van de
Hitlerjugend en de Nationale Jeugdstorm op 12 juli 1942. Onder overlegging van een
medisch attest vroeg Reymer eind juli 1943 ontslag als burgemeester van
Roermond en als waarnemend burgemeester van Maasniel (sinds december 1941 had
hij die waarneming op zich genomen); dat ontslag werd hem met ingang van 6
september eervol verleend.
Op 6 oktober 1945 werd Reymer -
na zijn aanhouding op 3 oktober 1945 in Haarlem - te Roermond in bewaring
gesteld, verdacht van verraad en samenwerking met de Duitse bezetter. De
betaling van zijn pensioen werd gestaakt. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van
een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen onder oplegging
van beperkende voorwaarden voor een proeftijd van drie jaar (zie o.a. Maas
en Roerbode van 26 en 27 september 1946). Na een lange procedure nam de
minister van Binnenlandse Zaken op 25 maart 1949 het besluit Reymer alsnog
krachtens het Zuiveringsbesluit 1945 te ontslaan en hem vervallen te verklaren
van de pensioenrechten die hij als burgemeester opgebouwd had.
Dit was het trieste einde van
een loopbaan die veelbelovend begonnen was en haar hoogtepunt vond in het
burgemeesterschap van Hilversum (1922-1929). Het ministerschap ging de
bestuurlijke krachten van Reymer te boven, en als burgemeester van Roermond
mislukte hij, vooral toen hij de bezettingsmoeilijkheden niet aankon. Eind 1942
schreef Reymer een brochure:” Het eigen recht van het staatsgezag” (Maastricht,
[1943]), waarin hij het katholicisme in Limburg 'geclericaliseerd' noemde en
een strikte scheiding van kerk en staat bepleitte. Zowel door de inhoud als
door het tijdstip van verschijnen van deze brochure zal hij nog meer
katholieken van zich vervreemd hebben dan tevoren door het maken van schulden
in zijn Hilversumse tijd en door zijn drankgewoonten.”
en tenslotte:
en tenslotte:
“De procureur-fiscaal bij het Bijzonder
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van
een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen.”
Elders op
het internet is sprake van een verklaring van “ontoerekeningsvatbaarheid”. Formeel werden zijn misstappen hem
niet aangerekend, dus.
Heinrich Gerhard Reijmer (1835-1922)
Heinrich Gerhard Reijmer is de naamgever van de Reijmerweg in Renkum en niet zijn zoon Paul Johan Reijmer, zoals Wikipedia aangeeft.
Op het internet[1] vinden we dat Heinrich Gerhard Reijmer op 17-04-1874 is
genaturaliseerd tot Nederlander, dat hij steenfabrikant was en geboren in
Wardhausen, bij Kleef. Heinrich Gerhard was dus een genaturaliseerde
Duitser. Hij was getrouwd met Arnolda Hermina van Wijck en woonde in Renkum. Daar is o.a. zoon Paul
Johan geboren, hun 5e kind.
![]() |
| Renkum GH Reijmer 1889 Gelders Archief fotoalbum 570 |
Volgens genealogische gegevens op het
internet[2] was Heinrich Gerhard op 26 october
1835 geboren in Griethausen, tussen Kleef en de Rijn. Zijn vader was Paulus
Reijmer en zijn moeder Helena Verwaaijen. In Heteren trouwde
Heinrich op 8 september 1874 met Arnolda Hermina van Wijck, dochter van
Richardus van Wijck en Jacoba Aleida Meijer. Van Wijck…dat klinkt bekend!
Inderdaad: Heinrich was getrouwd met een telg uit het steenbakkersgeslacht van
Wijck, aan de overkant van de Jufferswaard. De steenoven van Reijmer zelf lag
verder naar het westen, nog voorbij de steenoven De Ridder. Daarover
vinden we op het internet: Steenfabriek Reijmer - 1873-1896 werd door
aannemer Gerhard Heinrich Reijmer waarschijnlijk gepacht van eigenaar Van
Leeuwen, werd “de Oven van Reijmer” genoemd en stond in de Randwijkse
uiterwaarden in Heteren op de volgende coördinaten: 51° 57'42.67"N en 5°
43'8.56"O.[3] Dat is recht tegenover het huidige
Aan den Rijn ten westen van de Reparco. Er is daar nu een natuurgebiedje en je
vindt er niets meer van de Oven van Reijmer.
Nog steeds zien we geen voldoende redenen om een straat naar te noemen in Renkum, of wel? Nou ja, hij is raadslid en wethouder der gemeente Renkum geweest volgens Geert Maassen, wanneer precies is niet meer of zeer moeilijk te achterhalen. Heinrich is in 1922 gestorven. De vermoedelijke datering van de straatnaam komt overeen met het einde van Heinrich Reijmer’s leven. “Van aanzien” is hij wel geweest, zo te zien. We weten het (nog?) niet precies wat hij allemaal voor Renkum heeft gedaan, zodat deze straat naar hem genoemd is, maar duidelijk is dat zijn zoon dat niet gedaan kán hebben vóórdat de Reijmerweg die naam kreeg.
Nog steeds zien we geen voldoende redenen om een straat naar te noemen in Renkum, of wel? Nou ja, hij is raadslid en wethouder der gemeente Renkum geweest volgens Geert Maassen, wanneer precies is niet meer of zeer moeilijk te achterhalen. Heinrich is in 1922 gestorven. De vermoedelijke datering van de straatnaam komt overeen met het einde van Heinrich Reijmer’s leven. “Van aanzien” is hij wel geweest, zo te zien. We weten het (nog?) niet precies wat hij allemaal voor Renkum heeft gedaan, zodat deze straat naar hem genoemd is, maar duidelijk is dat zijn zoon dat niet gedaan kán hebben vóórdat de Reijmerweg die naam kreeg.
vrijdag 13 december 2013
Renkumer in hart en nieren: Joop Stoorvogel
Woensdag 30 augustus
2000 Hoog en Laag Achtergrond Pagina
7
Renkumer
in hart en nieren: Joop Stoorvogel
“Renkumers
moeten op voorrang op woonruimte krijgen”
Een
serie over geboren en getogen Renkumers. De verhalen die zij vertellen doet het
oude Renkum herleven. Maar ook geven zij hun mening over de huidige situatie in
hun geboortedorp of omgeving.
Door Mieke Mintjes
In het jaar
1937 werd Joop Stoorvogel geboren op de Bellevue.
Hij groeide op, vond werk bij
Van Gelder en later bij een pianofabriek in Ede. Vervolgens reageerde de
destijds 27-jarige op een advertentie en werd postbode. Maar liefst
vierendertig jaar lang fietste en toerde hij als postbode door Renkum en omgeving.
De goedlachse Joop is altijd wel in voor een leuk geintje en heeft in de loop
der jaren al heel wat mensen in het 'ootje' genomen. Gezelligheid troef bij deze
Renkumer, die enthousiast vertelt over zijn werk en dorpsgenoten, maar ook serieus
ingaat op de veranderingen in zijn dorp.
„Ik zag een
advertentie in de krant waarin een postbode gevraagd werd. Ik dacht, verrek,
da 's net een mooi baantje voor mij. Nu stond er in de advertentie dat je een
brief aan de directeur moest schrijven. Het leek mij veel beter om er even
langs te gaan. Directeur Smit woonde naast het postkantoor in de Dorpsstraat.
Ik aangebeld en nadat hij de deur opendeed heb ik mijn naam gezegd en ook dat
ik voor de sollicitatie kwam. Dan moet je een brief schrijven, zei hij. Ik
vertelde hem dat ik toch in de buurt was en dacht dat het zo ook wel kon. Na
wat gemopper van zijn kant mocht ik binnenkomen. Hij vroeg wat algemene
gegevens en zei dat hij me nog een test moest afnemen. Hij vroeg me als ik met
de trein naar Amsterdam zou moeten, hoe ik dan zou reizen. Ik zeg nou, 'eers
noar Ede, door deur noar Utrech en van doar uut noar Amsterdam'. Dat was goed geantwoord!
Na een medische keuring die ok al niks veurstelde kon ik aan de slag."
Ongeveer
anderhalf jaar lang werkte Joop met een arbeiderscontract. Daarna kreeg hij
zijn vast aanstelling en werd beëdigd. „Ja, dan moet je een soort eed afleggen.
Ik moest mee de kluis in. De deur bleef open hoor!"
Na drie
weken met een collega meelopen te hebben, werd de gloednieuwe postbode zelfstandig
en bezorgde keurig de post bij de mensen in zijn wijk. Naast zijn werk in Renkum,
was Joop ook reserve in Heelsum. In dat dorp werkte de post met vier mensen, in
Renkum met ongeveer acht. Bij ziekte of vakantie viel de Renkumer in. „Je kon
de klok er op gelijk zetten, als ik in Heelsum moest invallen had ik altijd de
grootste wijk. Ik weet niet hoe ze het flikten, maar het was wel zo,"
lacht de postbode hartelijk.
Alhoewel de
postbodes, volgens Joop, best een mooi baantje hadden, meent hij dat we niet
moeten vergeten dat de winters vroeger veel strenger waren dan tegenwoordig. Ook
het feit dat alle post per fiets bezorgd moest worden. Sommige routes leidden
de postbodes ver richting Ede. „Je kwam de postbode van Ede tegen! Je moest
alle boerderijen en afgelegen huizen af, dat was een heel eind." Namen als
Dorrestijn, Tinsen, Staadegaard, Penning, Brouwer, Koker, Wisgerhof en vele
anderen passeren als Joop de route uitlegt.
„Bij Huize
de Keijenberg kregen we koffie." De collegae waar Stoorvogel mee werkten,
waren onder andere Jan Ruisch, Wimpie Ruisch, Willie Wildeman, Piet Böhmer,
Evert van Dijk, Frans van de Veen, R. Hoefakker, J. van Weley en als
leermeester trad op Toontje Rus.
Streken
Met een
quasi onschuldig gezicht zegt de voormalige postbode:”Als er bij de post iets
gebeurd was, wees iedereen gelijk naar mij."
Op de vraag eens een paar streken te vertellen lacht hij en vertelt het
volgende verhaal: „Ken je Wout van de Born nog? Hij woonde op de
Keijenbergseweg. De kraakwagen kwam destijds iedere week langs om rommel op te
halen. Ik liep er met de post en zag dat Wout bij de kraak een paar schoenen
neergezet had. Van die hoge kistjes. Gaten in de zolen. Ik denk 'die neem 'k
mee, wöh'! Ik die dingen in de fietstas gedoan. Veertien dagen gewacht, een
mooi doosje opgezocht, oude schoenen erin en er een prachtig postpakket van
gemaakt. Op naar Wout en aangebeld. Dag Stoor, zei hij, wie zou de gulle gever
zijn? Ik zeg 'dat weet je maar nooit', liet hem tekenen en riep 'nou ajuu
heur!' Maar ja, ik moest dezelfde weg ook weer terug. Daar stond de dikke Wout
te schuddebuiken van het lachen. Schik dat hij had!"
Niet alleen
dorpsgenoten konden rekenen op een kwajongensstreek van Joop, ook de andere
postbodes ontkwamen niet aan zijn geintjes. „Iedere morgen rond zes uur bracht
Silfhout vanuit Arnhem de post op het kantoor. Eerst leverde ze de post in Wageningen
af, daarna was Renkum aan de beurt. Ik op een morgen heel vroeg naar het Dorpspleintje
want daar stond een telefooncel. Ik heb het Renkumse postkantoor gebeld en
vertelde dat ik de bestuurder was van de wagen die de post moest afleveren. Maar
dat ik dat niet kon omdat de auto stuk was gegaan en ik onder aan de Wageningse
Berg stond. Of ze de post maar wilde komen halen! Ik hoorde een gevloek en
gemopper! Even later zag ik ze op de fiets aankomen. Hé jongens, waar gaan
jullie naar toe? Op dat moment kwam de wagen met de post aangereden. Och, och,
wat heb ik gelachen."
„Ook Rikke,
de hoofdbesteller, heb ik een keer te pakken gehad. Die ging thuis wel eens een
middagdutje doen. Tussen de eerste en de tweede trans. Om drie uur in de middag
was de volgende dienst. Hij kwam nooit te laat op het werk. Ik ben op een
middag, terwijl hij lag te slapen, naar zijn huis gegaan en heb alle luiken
dichtgedaan. Lekker donker in huis toch? Hij kwam een uur te laat op zijn werk!
Oh ja, hij vroeg in de Kersttijd ook eens om een kerstboom. Na de kerst heb ik
de inmiddels kale kerstboom van ons thuis, bij hem in de tuin gezet. Ja echt,
al die dingen kon je vroeger gewoon uithalen. Ik heb bij de post echt een leuke
tijd gehad," meent de grappenmaker met tranen in de ogen van het lachen.
„Weet je, er kwam eens een collega van mij met de post een hof pad oplopen. De
mevrouw die daar woonde vroeg hem 'je leest onze post toch niet hè?' Waarop de
collega antwoordde 'dat zou ik nooit doen mevrouw, maar u krijgt zondag wel
visite."
Paardrijden
Als kleine
jongen heeft Joop uiteraard ook het nodige meegemaakt in zijn dorp. „Ik weet
nog goed dat als we vroeg in de morgen naar de Wilhelminaschool gingen, we voorbij
de boerderij van Peelen kwamen. Daar hadden ze vaak een vrachtwagen gekookte
piepers neergekiept. Als varkensvoer. Die piepers waren nog gloeiend heet. Wij
pakten dan een handvol op, haalde de schil eraf en aten die dingen op." „Op
onze vrije woensdagmiddag gingen we ook naar Peelen. Dan mocht je met de
voerman mee. Prachtig! Later in de middag, tegen zes uur werden de paarden in een
lange rij aan elkaar gebonden en naar de wei bij Onder de Bomen gebracht. De
kinderen mochten op de paarden zitten. Wie te laat kwam had pech. En ja, het is
feitelijk een rotstreek, maar dan jaagden we die paarden wel op. Net zolang tot
er één van de kinderen van het paard duvelde. Dan sprong je er gauw op."
Net als veel
dorpsgenoten heeft Joop zich ook vermaakt met het rapen van eikels, beukennootjes
en tamme kastanjes. Die werden voor een paar centen verkocht aan Nellestein de
kolenboer. Ook bosbessen plukken was een geliefde bezigheid van veel Renkumers.
Ze maakten er jam en dergelijke van. „Wij verkochten de bosbessen aan een
mevrouw die aan de Utrechtseweg woonde. Daar kreeg je 'goed' geld! Maar dan ging
mijn moeder mee, die inde de centen!"
Joop Stoorvogel
is geboren op de Bellevue, maar verhuisde al op jonge leeftijd naar de
Groenendaalseweg. „Niemand had daar riolering. De gierput moest twee keer per jaar
geleegd worden. Dat mocht pas na tien uur in de avond. Bij ons thuis waren drie
jongens. Als mijn vader van zijn werk bij Van Gelder thuis kwam, zaten wij al
met twee teilen te wachten. De put hadden we overdag al open gegraven. We
hoefden alleen de deksel er af te halen. Vader schepte met een gierschep de smurrie
in de teilen, wij gooiden het spul over het land. Dat stonk natuurlijk
vreselijk. Als mensen dat roken zeiden ze, daar hebben ze bruiloft."
Woonjaren
Over het
huidige Renkum heeft Joop zo zijn eigen gedachten. „Ieder jaar heb je hier
Renkum Bomvol. Meneer Hageman is van de organisatie. Ik zou hem eens willen
vragen of de organisatie niet de muziekverenigingen in Renkum en Heelsum de
gelegenheid wil geven om tijdens die dag te spelen. Ze willen best, maar willen
wel gevraagd worden. De laatste keer ben ik bij Renkum Bomvol geweest. Ik vond
het een dooie boel! Zo hier en daar op een hoek een stel muzikanten is veel
gezelliger.''
Het Renkum
van tegenwoordig kun je niet vergelijken met vroeger, is Joop van mening. „Het
is een heleboel import. Wat me tegen de borst stoot is het volgende. Neem nu mij
bijvoorbeeld. Ik ben twee jaar geleden verhuisd. Veronderstel dat ik het op
mijn huidige adres niet naar mijn zin zou hebben (wat overigens niet het geval
is). Als ik naar de woningstichting ga om een ander huis te vragen is de procedure
tegenwoordig dat ik dan twee zogenaamde 'woonjaren' heb. Heeft iemand uit
bijvoorbeeld Nijmegen vijf woonjaren, heeft die persoon voorrang en krijgt dus
het huis dat ik wellicht graag zou willen bewonen. Nou, da vin 'k maar niks! Ik
vind dat de echte Renkumers voorrang op woonruimte moeten hebben. Wij Renkumers
komen bijna niet aan bod. Maar wie heeft Renkum opgebouwd? Dat zijn wél de
Renkumers!"
Uiteraard
voor Joop Stoorvogel ook de vraag hoe hij over het plaatselijk dialect denkt.
Hij lacht eens omdat hij het hele gesprek in het dialect gevoerd heeft. „Wij
hebbe een mooi dialec en da wou 'k graag zo houwe! As ik anders pröat heur ik
mezelf. Ik bin hier gebore en getoge. Ik bin een Renkumer en da w' ik
blijve!!"
donderdag 3 oktober 2013
De opa van Arthur Japin, Lambertus van den Berg, is geboren in Renkum op 29 oktober 1891
Overgenomen uit: Utrechts Nieuwsblad/Amerfoortse Courant, oktober of november 2004
Bertus van den Berg is inderdaad de opa
van ArthurJapin. Hij is inderdaad die man van de foto op zijn Harley Davidson,
dat door geilheid en driften geleid vrijbuiterstype. Foto CPD - Niels van
der Hoeven
Utrechtse schrijver Arthur Japin vindt
die ‘Vrijbuitende’ motorrijder
Het bewogen leven van
een
opa
Op de snelweg bij Eindhoven hoort
Bart van den Berg op een zaterdagmiddag voor het eerst over een Nederlandse
schrijver met de naam Arthur Japin. 't Is eind oktober, uit de autoradio klinkt
de vrolijke praatshow Spijkers Met Koppen. Japin is uitgenodigd vanwege zijn
zoektocht naar zijn opa.
Hij vertelt wat hij weet. Dat
zijn opa Lambertus van den Berg heette, dat hij een Rotterdams/Schiedamse
bouwkundige was en dat hij in 1926 een ernstig motorongeluk is overkomen.
Bart van den Berg:”Eerst hoorde
ik die naam: Lambertus van den Berg. Tja, er zijn meer hondjes die Fikkie
heten. Daarna hadden ze het over Schiedam, over Rotterdam, over het
geboortejaar 1891 en ik dacht: toevallig!" „Toen het over een bij een
ongeluk verbrijzeld been ging, wist ik genoeg, en toen de eerste cijfers van
het kenteken van de motor werden voorgelezen, vroeg ik mijn vrouw haar telefoon
te pakken. Let op, zei ik. Na de l en de 7 komen de 3, de 6 en de 9. Schrijf
jij gauw het telefoonnummer van Spijkers Met Koppen op." Een
telefoonnummer wordt niet genoemd, dus Bart van den Berg stuurt een paar dagen
later via internet een mailtje. Ja, hij kent Lambertus van den Berg. Het is
zijn vader, en als Arthur Japin hem eens wil bellen, dan mag dat gerust.
Wat
voorafging.
Op zaterdag 9 oktober start
Arthur Japin een zoektocht naar zijn onbekende opa. Veel weet hij niet. Hij
heeft een naam (Lambertus van den Berg), een woonplaats (Rotterdam of Schiedam),
wat jaartallen (de jaren twintig), een beroep (architect of bouwkundige) en een
foto van zijn opa op een motor. Verder is er de herinnering aan een lang
gesprek met de al jaren geleden overleden oma Maria Japin, die in de jaren twintig
de geliefde was van de getrouwde man Bertus van den Berg. Zij heeft daar een
kind aan overgehouden: Bert junior, de vader van Arthur Japin.
Reeds kort na de geboorte van
junior, liep -na een ernstig ongeluk met de motor - de relatie
tussen oma Japin en haar
getrouwde minnaar spaak. Het kind ging verder door het leven
als onecht (Nog Niet Erkend,
stond op de papieren van de burgerlijke stand) en zou dat een leven lang nooit
kunnen verkroppen. Geteisterd door verdriet en andere problemen, maakt vader Japin
in 1969 een einde aan zijn leven.
Door dat leed geraakt en uit
gezonde nieuwsgierigheid, gaat zijn zoon, de inmiddels bekende
schrijver Arthur
Japin, 35 jaar later alsnog op zoek naar meer informatie over een opa, die
vrijwel zeker al jarenlang dood is. Hij zegt met nadruk geen familiemens te
zijn, maar wil toch het verhaal kennen achter de motorfoto. Hij wil weten of
die man op die Harley Davidson inderdaad, zoals volgens hem de foto vertelt, een
door geilheid en driften geleid vrijbuiterstype was. Hij wil weten waarom opa Van
den Berg nooit scheidde van zijn wettige echtgenote en dus zijn geliefde een
leven lang alleen liet met het door hem verwekte kind. Hij wil weten waar de
goede man gebleven dan wel begraven is. „Uiteindelijk wil ik natuurlijk naar
zijn graf toe," zegt Japin. Zijn zoektocht loopt niet direct voorspoedig. Hij
krijgt tips, maar die zijn niet doorslaggevend.
Hij zocht het
levensverhaal van zijn opa, en vond het. De Utrechtse schrijver Arthur Japin,
die op zoek ging naar de geschiedenis achter de uit het oog verloren vader van
zijn vader, ontrafelde het mysterie. Onder de zo gekoesterde foto van die
stoere, geile vrijbuiter op zijn motor kan nu een flink stuk tekst worden
gezet. Met dank aan oom Bart.
Toch stuit hij na enig speurwerk
in gemeentearchieven op de enige, echte Lambertus van den Berg. De man blijkt
geboren in het Gelderse Renkum, op 29 oktober 1891, en getrouwd (op 02-05-1918) met de zes jaar
oudere Geertruida Roij. Het stel woont in Leiden, Rotterdam, Hillegersberg en Schiebroek
en keert in de jaren veertig terug naar Schiedam.
Japin en de verslaggever maken
zich al op voor verdere speurtochten. Moeten ze bijvoorbeeld niet eens wat begraafplaatsen in
de Rotterdamse regio afstruinen? Dan treedt Arthur Japin op in het
radioprogramma Spijkers Met Koppen, zit Bart van den Berg stomtoevallig niet
bij zijn zus op de koffie maar op de Brabantse snelweg, hoort hij via de
autoradio " eens van Japins zoektocht naar ene Lambertus van den Berg en
heeft Arthur Japin er opeens een oom bij. Die man blijkt door de telefoon
een verdraaid aardige vent, die rap met feiten strooit. Zo komt Japin te weten
dat opa Van den Berg in 1974 in Hilversum is overleden.
Novembermiddag
in het oosten van het land.
Arthur Japin rijdt achter
Winterswijk naar het Duitse Vreden, sinds kort de woonplaats van Bart van den Berg,
zijn 61-jarige oom. Japin is lichtgespannen. Vraagt zich af wat zijn oom wel
niet vindt van alle poespas rond een verre neef die op zoek is naar wat
wetenschap over zijn roots.
Het is hier net alsof
ik tegenover mijn broer zit. De krullen. Dat gezicht. Net Gerrit
Dat valt mee. Achter de
donkerhouten deur, die openzwaait, staat een witgrijze vent met een gulle lach:
Bart van den Berg. „Jij moet Arthur zijn!" zegt hij. „Kom binnen!"
Binnen wacht Barts echtgenote Marianna, een kordate vrouw die direct het haar
van Japin bestudeert.
„Krullen," zegt ze. Bart van
den Berg:„Mijn vader had ook krullen, maar hij kamde ze weg. Een ijdel
mens." Zijn vrouw: „En die ogen." Bart: „Het is hier net alsof ik
tegenover mijn broer zit. De krullen. Dat gezicht. Net Gerrit." Marianna:
„Heb jij soms ook zo'n kromme rug?" Bart: „Wat is je schoenmaat? 45,46? Pa
had 48."
Dan verschijnt een rode multomap
op tafel. Vergeelde foto's, een op de computer uitgedraaide onaffe stamboom. En Bart van den
Berg vertelt over Bertus. Bertus van den Berg, Japins opa, werd bijna 83 jaar
en trouwde drie keer. Zijn echtgenotes schonken hem twee naar hem vernoemde zonen
en twee dochters. Zoon Bart moet zich wel heel sterk vergissen als vaderlief
niet ook nog enkele buitenechtelijke kinderen verwekte, van wie er ten minste
eentje ook zijn naam zou dragen.
Bertus van den Berg was dus een
vrouwengek. Een echte liefhebber. „Pa had een bewogen
leven," zegt zoon Bart. „Hij
had veel flair. Kon goed met mensen omgaan, vooral als het om vrouwen ging. Die
liefde voor vrouwen heb ik ook wel. Als er een vrouw in een gezelschap is, zit
ik er altijd naast. Pa was een man van uitersten. Als hij een vriendin had, dan
had zij hem ook helemaal."
De oma van Arthur Japin, de
zoveelste vrouw in het leven van Bertus van den Berg. Nee, van haar heeft Bart
van den Berg tot voor kort nog nooit gehoord. „Over dat soort zaken werd bij
ons thuis niet gepraat." Een paar minuten later is een en ander
geconstrueerd: tijdens zijn eerste huwelijk met ene Geertuida Roij, waaruit
zoon Gerrit werd geboren, startte Bertus van den Berg een affaire met zijn zes
jaar jongere Schiedamse vriendinnetje Maria Japin. Zij schonk hem begin 1926
zoon Bertus, de vader van Arthur Japin. Het liefdesgeluk eindigde die zomer
nog. Eerst verbrijzelde Bertus bij een motorongeluk zijn onderbeen. Later, nog
op zijn ziekbed, raakte hij plotseling verliefd op de zeventien jaar jongere
vrouw die namens het verzekeringskantoor het ongeluk afhandelde. Voor haar
verliet hij Maria. Zijn kind Bertus jr. zou zijn vader nooit spreken.
Dwars tegen kerkwetten en
tijdgeest in, leefde Bertus van den Berg jarenlang in zonde samen met zijn
nieuwe vlam. Pas in de jaren veertig - een buitenechtelijke dochter was reeds
geboren - scheidde Bertus van zijn eerste vrouw. Snel trouwde hij met zijn
vriendin Riet, die hem, als vijftiger, nog zoon Bart en dochter Jos schonk.
Toch bleef opa Van den Berg polygaam.
,,We wisten altijd dat er andere
vrouwen waren," zegt Bart van den Berg, „maar hij heeft er wel voor gezorgd
dat die vrouwen ook later niets tekortkwamen. Hij heeft zijn hele leven nog voor zijn eerste vrouw
gezorgd. Zo was pa dan ook wel weer." Japin: „,Mijn oma heeft nooit een
cent van hem willen aannemen. Wellicht was ze gekwetst, omdat hij niet terugkwam
naar haar, maar direct een nieuwe relatie begon."
Voordat Bertus van den Berg in
1974 overlijdt, trouwt hij op 70-jarige leeftijd nog met de twintig jaar
jongere vrouw Hannie, die daarvoor jarenlang zijn minnares is geweest.
Japin: „Waar is hij
begraven?" Bart van den Berg: „Hij is gecremeerd. In het crematorium in
Utrecht." Japin: „In Utrecht? Mijn oma ook... Zé zijn dus na al hun
omzwervingen in dezelfde vlammen opgegaan."
Dan ontstaat in die Duitse
huiskamer een vrolijk gesprek over een vrijbuiter, zijn vrouwen, kinderen en
motor, de stoere Harley Davidson. Japin: „Als schrijver zeg ik: De motor is de
hoofdrolspeler van dit hele verhaal." Bart van den Berg vertelt. Over
verre familie die hij uit het oog verloren is, over nog meer vermoede relaties
van vaderlief, over een arbeidsleven in de randstedelijke bouwwereld, dat sinds
kort is ingeruild voor een rustig bestaan in de Duitse grensstreek. Over dat
motorongeluk op de kruising Coolhavenbrug/Rochussenstraat, dat zo cruciaal was voor
de levens van Bertus van den Berg, Maria Japin en hun zoon Bertus junior.
„Hij botste met de motor op een
slagersjongen. Het been van pa kwam op de stoeprand terecht en werd door de
treeplank van de motor verbrijzeld. In het ziekenhuis hebben ze hem geopereerd.
Het been was te kort geworden. Dus hebben ze er een stuk kalfspoot tussen gezet.
Mijn
oma en opa zijn dus na al hun omzwervingen in dezelfde vlammen opgegaan
"Japin: „Zo, dus ik had een
opamet een kalfspoot." Zo praten ze door. Over broers, zussen, kinderen, het
schrijverschap, het versturen van kerstkaarten en over die onvermijdelijke man
op die motor.
Bart van den Berg: „Ik kan hier
goed over praten. Dit verhaal doet geen pijn meer. Iemand is driekwart eeuw geleden
vreemd gegaan.
Wat dan nog?" Arthur Japin:
„Op een dag is alles geschiedenis."
Idee voor in de
grabbelzak
Vier dagen na zijn bezoek aan oom
Bart in Duitsland zegt Arthur Japin door de telefoon dat hij blij is dat de
zoektocht naar opa Van den Berg geslaagd is. ,
„Mijn nieuwsgierigheid is voor
een groot deel bevredigd. Mij interesseerden vooral die dramatische wendingen.
Die waren genoeg om in mijn hoofd - voor mezelf- het hele verhaal te maken. Ik
weet nu waar mijn ouders hebben gestaan toen ze in de jaren vijftig nog eens
het bedrijf van mijn opa bekeken. Ik weet nu dat hij direct na het motorongeluk
in het ziekenhuis alweer een ander vond."
Heb je, dit wetende, een oordeel over
je opa?
„Ik probeer nooit over iemand een
oordeel te hebben. Maar het geweldige idee dat ik had, over een vrijbuiter, die
zijn hart volgt en zo zijn eigen weg gaat, is anders dan de praktijk. Want voor
de slachtoffers van zo'n man is het allemaal veel minder. Dan blijft van dat
romantische verhaal niet veel over. De mensen om mij heen hebben wel ontzettend
moeten lachen toen ik vertelde over opa's overspelige
natuur en eensgezind trokken ze
de conclusie dat ik daarmee dus erfelijk ben belast"
Komt er ooit nog een roman over opa
Van den Berg en oma Japin?
„Dit verhaal komt in die
grabbelzak vol ideeën die ik altijd op mijn rug draag."
zaterdag 27 juli 2013
Egbert de Beyer (1855-1926), adjudant van generaal van Heutz in Indonesie
Home Geschiedenis Wapen Stamboom
Gelderse Tak
Egbert W.J. 1 de Beyer werd geboren op 9.4.1855 te Renkum en stierf aan ouderdoms suikerziekte in 1926. Zoon van Justinus.
Hij werd, na het overlijden van zijn vader en moeder, opgevoed door de
fam. Six. Goedkoop en netjes was toendertijd een opleiding als soldaat
in Kampen voor Nederlans Indieen. Dat hier net in 1873 de Atjeh oorlog
begonnen was deerde hun niet. Als vergoeding namen zij b.v. de fam.
schilderijen. Hijzelf wilde toen liever dominee worden. Op 22.7.1877
werd hij benoemd tot 2. Luitenant, op 27.4.1883 tot 1. Luitenant, op
8.4.1893 tot Kapitein, op 6.6.1899 tot Majoor en op 8.6.1902 werd hij
Luitenant-Kolonel. Hij werd adjudant van generaal van Heutz en later
werd hij chef staf.
Lees hier verder
Lees hier verder
vrijdag 26 juli 2013
Justinus de Beyer (1821-1865), Burgemeester van Renkum ca 1850
Bron: http://home.arcor.de/e.debeyer/DEBEYER/BETUWE/Gelderland/NIJMEGEN/Justinus6.html
Home Geschiedenis Wapen Stamboom
Gelderse Tak
Justinus 6 de Beyer werd
geboren op 14.7.1821 te Nijmegen en stierf op 7.11.1865 te Renkum en
werd op de begraafplaats direkt achter zijn huis begraven. Zoon van Philip.
Hij was burgemeester van Renkum en Scherpenzeel.
Hij was burgemeester van Renkum en Scherpenzeel.
Hij
was erg kunstzinnig en musikaal, hij kon verschillende instrumenten
bespelen. Hij is de dedicatee van de Trois Nocturnes van de in Utrecht
actieve en geboren gitarist/componist K.A.Craeyvanger (1817-1868).
Bijgevoegd de voorplaat van dit werk.
Bijgevoegd de voorplaat van dit werk.
Karel Arnoldus Craeyvanger (1817-1868) de componist van dit werk was een Utrechtse violist, dirigent, baszanger, componist en gitarist. Waarschijnlijk gaf hij ook gitaarles en was J. de Beyer een van de mensen die bij hem les hadden (maar dat is een pure gok).
Hij was depressief en pleegde waarschijnlijk zelfmoord. Zijn vrouw stierf 5 jaar later in Nijmegen. Hierdoor werden hun kinderen door de fam. Six opgevoed. Deze waren terecht boos over het onverantwoordelijk gedrag van Justinus en gaven twee van de kinderen (Egbert en Willem) de goedkoopste, maar nette, opvoeding: officiersopleiding in Ned. Indieen. Een derde, Justinus, vertrok naar Amerika en zoon Philip naar Belgie. Zijn dochter Elisabeth pleegde zelfmoord in Londen. Alleen Anna Maria trouwe op stand met Jan Willem Cramerus. De fam. Six behielt de erfstukken van de fam. de Beyer zoals de fam. schildereien. Jarenlater zag kleinzoon Egbert deze in een huis van de fam. Six aan de muur hangen, toen hij hier op bezoek was om te zien hoe een cetrale verwarming werkte. Ook ik, werderom een kleinzoon, nu van Egbert, zag in 1985 ziver bestek met fam. wapens van Maria de Beyer en van der Bruggen uit 1800 en schildereien vanJacob de Beyer en Elisabeth Mondekens uit 1630, bij de fam. Six in Wassenaar.
Kotom de hele fam. viel uit elkaar door deze vroege dood van de beide ouders.
Hij trouwde op 22.4.1847 te Utrecht met Anna Helena (Baronesse) Six.
| "De Blauwe Spar", Dorpsstraat 171, Renkum |
Uit dit huwelijk zijn 6 kinderen geboren :
Philip 3.
Willem 1.
Justinus 7.
Elisabeth 1.
Leonard.
Anna Maria.
Egbert 1 (D).
Philip 3.
Willem 1.
Justinus 7.
Elisabeth 1.
Leonard.
Anna Maria.
Egbert 1 (D).
Abonneren op:
Posts (Atom)




