zondag 15 juni 2014

Daisy Junius 1868-1951, Schrijfster en Redactrice woonde in villa Mimosa te Heelsum


In "Groen was mijn Dorp" schreef Wes Beekhuizen op blz. 170: "Wel vertelt Wesselink iets over een soort artiestenkring die zich in ons dorp gevormd had na de eeuwwisseling en waartoe, behalve vele schilders, ook de beeldhouwer August Falise, enkele schrijfsters en sommige, z.g.n. kunstlievende leden behoorden.
Een van die schrijfsters, de kleine Daisy Junius, herinner ik me heel goed en haar villaatje Mimosa, schuin tegenover het Kurhaus van dokter Marx, evenzeer. Daisy Junius schijnt een romantische natuur te hebben bezeten hetgeen zelfs tot uiting kwam in de namen die zij gegeven had aan de slingerpaadjes in haar grote achtertuin die reikte tot aan het Heelsumse broek. In die lusthof kronkelden het Pad der liefde, het Pad der dromen, het Pad der manestralen, enz."
Zie verder: http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/6_Daisy_Junius

Daisy Junius
1868-1951, Schrijfster en Redactrice
Egberdina Anna Junius werd op 4 augustus 1868 in Groot Letjesbosch (Zuid-Afrika) geboren als vierde en laatste kind van de journalist Johan Hendrik (Henri) Junius (1836-1899) en Sara Helena Keppel Hesselink (1842-1922). Ook de drie andere kinderen waren in ZuidAfrika geboren: zus Anna Maria te Prins Albert in 1861 en haar broers Herman Gijsbert in Groot Letjesbosch in 1863 en Jan Hendrik te Beaufort in 1865. Egberdina, die zich bij haar schrijversnaam Daisy liet noemen, overleed te Renkum op 24 mei 1951.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/6/-019.jpg
Egberdina Anna (Daisy) Junius in 1908 op veertigjarige leeftijd (foto: Collectie Letterkundig Museum, Den Haag)
Hoe de kinderen Junius hun jeugd in Zuid-Afrika hebben doorgebracht weten we niet, maar uit de titel en inhoud van het reisboek Zonnig Afrika (Haarlem 1892), dat voor een belangrijk deel op naam van hun moeder staat, kan afgeleid worden dat zij daar tamelijk zorgenvrij op terugkeken. Trouwens: wie zo indringend over jeugdervaringen en opgroeiende meisjes kan schrijven als Daisy moet welhaast op een aansprekend voorbeeld kunnen terugvallen. Haar ouders, Gelders van oorsprong, trouwden in 1861 in Kaapstad. Enige jaren later betrokken zij een huis in de omgeving van Beaufort, waar vader redacteur van de lokale krant The Beaufort West Courier was. Misschien kreeg moeder heimwee; feit is dat zij en de kinderen eind jaren ’80 repatrieerden. Vader bleef achter en zou in 1899 in het Zuid-Afrikaanse Piket Berg overlijden.
Moeder en de beide dochters betrokken een kleine villa aan de Utrechtseweg 98 te Heelsum. Het gereconstrueerde bevolkingsregister van Renkum, waartoe Heelsum behoort, laat zien dat Egberdina daar in 1945 nog steeds woonde, evenals haar zuster Anna, inmiddels weduwe.
Vrij snel nadat de familie zich in Renkum had gevestigd, begon Egberdina te publiceren. In 1890 verscheen haar debuut, de bundel Uit den caleidoscoop bij de Arnhemse uitgever Jan Minkman. Op de titelpagina prijkt haar nom de plume: Daisy E.A. Junius. In het korte openingsverhaal ‘Inkwartiering’ beschreef Daisy hoe de komst van huzaren de gemoederen van een dorpsgemeenschap bezighield: getrouwde dames werden zenuwachtig, jonge meisjes verheugden zich op de komst van de militairen, oude meiden hoopten op een fooitje, jongeren op een gezellig praatje, boeren legden vers stro in de deel en de schoolmeester tobde met tanend gezag. De titel geeft ook de vorm aan: je ziet een bonte mengeling van dorpstaferelen onder de caleidoscoop doortrekken. Het ging Junius om de schildering, het observeren.
Kinderen, gezin, ouders en familie spelen een grote rol in haar werk. Het is veel leed en geluk dat haar verhalen thematisch verbindt, mooi, fris en helder beschreven. Plot en slot verlopen in haar verhalen vaak anders dan de lezer verwacht. Junius’ verhalen ademen de geborgenheid die destijds ook opsteeg uit tijdschriften als Eigen HaardElsevier’s Geïllustreerd Maandblad en de Katholieke Illustratie.
Tussen 1890 en 1909 verschenen naast haar debuut nog een toneelspel, twee bundels verhalen en drie romans. In die twintig jaar ontwikkelde haar thematiek zich met de veranderende maatschappelijke verhoudingen. Zo komt in Adel luitenant Jonker Hendrik Bringersoord tot het inzicht dat zijn verloving met freule Nelly van Doorn op een verkeerde keuze is gebaseerd: zij passen niet bij elkaar. Hij viel voor een nichtje met een karakter dat volstrekt tegengesteld aan dat van de freule was. Het nichtje was niet van adel, ze was de dochter van een kunstschilder. ‘Verversverliefdheid’, dat kan niks wezen, bromde Hendriks vader. De generatiekloof is daar. Tijdig weet Junius een ironische toets aan te slaan, als zij de ‘Bond tot verbetering of uitroeiing van lichtzinnige mannen’ en andere soortgelijke gezelschappen in het verhaal vlecht, en er de aristocratie mee bespot. De achtergrond, het schildersmilieu, wortelde in ‘Pictura Veluvensis’, de kunstenaarsvereniging, die in 1902 te Renkum was opgericht. Rond de Haagse schilder Théophile de Bock, die zich in 1895 te Renkum vestigde, verzamelden zich allerlei landschapschilders, onder wie Hendrik van Ingen, de Veluwse schilder die zij het meest bewonderde en over wie zij in 1911 publiceerde. De kring trok vanaf het begin ook andere kunstenaars aan, zoals de beeldhouwer August Falize en Daisy Junius.
Daisy’s grote roman Jong Leven (1901) heeft denkelijk de meeste bekendheid genoten, en daaraan is de schrijfster en redactrice Anna de Savornin Lohman (1868-1930) ongewild debet geweest. Het titelblad vermeldt als auteur ‘Daisy met tekeningen van JUNIUS’. Wie met de laatste werd bedoeld, is niet duidelijk. Daisy zelf zou later ontkennen dat zij de tekeningen had gemaakt. In deze roman viert een aantal vriendinnen in Arnhem hun vakantie, voordat ze hun studies zullen vervolgen. Ze logeren bij de ouders van een van de meisjes. Ouders wier huwelijk geslaagd is, want moeder geeft de meisjes regelmatig een kijkje in haar huwelijksleven: “Trouwen?”, zei mevrouw, “trouwen … meisjes, dat is geen kleinigheid”; gevolgd door talloze voorbeelden uit mevrouws praktijk en die van anderen over situaties waarin het in het huwelijk mis kon gaan. Maar uiteindelijk was Junius’ opvatting: “Duizendmaal te benijden is elke vrouw, die een werkkring vervuld [sic] en in vrede en vreugde haar leven doorbrengt.” Zoals met elk boek: als je er niet voor openstaat, wordt de lectuur ervan niks. Het gaat bij literatuur in eerste en laatste instantie altijd om herkenbaarheid van de beschreven situatie, de geuite gevoelens, de verwoorde gedachten. Dat mag dan zo zijn, kort na verschijning werd deze roman door Anna de Savornin Lohman neergesabeld. Nu was de rancuneuze Anna iemand met wie je het gemakkelijk aan de stok kon krijgen; de controversiële schrijfster had haar aanhangers, maar telde ook vele vijanden. Ruim 45 jaar was zij redacteur van De Hollandsche Lelie, ‘weekblad voor jonge dames’. Hoewel Anna het omstreeks 1907 ook op andere schrijvende telgen uit het Juniusgeslacht had gemunt, viel Daisy de twijfelachtige eer te beurt als eerste de kritische aandacht van de redactrice annex recensente van De Hollandsche Lelie te trekken: “Is het een toevallige samenloop van omstandigheden, waardoor Jong Leven voortdurend zoo’n in ’t oog loopende overeenkomst heeft met Schoolidyllen?” sneerde Anna in het Soerabajasch Handelsblad van 8 februari 1902, waaruit zij werd geciteerd in De Hollandsche Lelie van 18 maart 1903. Meteen zo’n onverzoenlijke toon. Het zou ook nooit meer goed komen tussen die twee. Toen De Savornin Lohman de beschuldiging van plagiaat een jaar later in het Haagse dagblad Het Vaderland herhaalde en nog eens in haar eigen De Hollandsche Lelie, ontstak Daisy in woede. Ze overwoog gerechtelijke stappen, ook al omdat de titel en de auteur in de besprekingen verkeerd waren gespeld. Dat laatste lijkt voor de neutrale lezer geen halszaak, maar voor Daisy was het dat toch wel, want Anna had haar pseudoniem onthuld. Daisy diende inderdaad een klacht in, maar de zaak werd enige tijd later geseponeerd, zoals Anna haar lezers inDe Hollandsche Lelie triomfantelijk liet weten. Daisy beweerde echter dat dat pas gebeurde nadat Anna haar excuses had gemaakt.
Daisy’s werk was zorgvuldig gestileerd en verrassend, daar waar ze het vertellersperspectief geleidelijk van de ene naar de andere verhaalfiguur over liet gaan. Haar verhalen gaven een indruk van het leven van de gegoede burgerij in haar tijd, maar haar (meisjes)boeken waren vooral even zovele pleidooien voor de economische, geestelijke en sociale zelfstandigheid van de vrouw. Ook al ging het soms verschrikkelijk mis, zoals in Op verkeerde grondslagen, waarin de vrouwen op basis van hun verkeerde keuzen met de gevolgen werden geconfronteerd.
Maar er was meer. Terwijl de personen in de meeste van haar boeken jonge meisjes onder de twintig zijn, is in De bakens verzet (1907) de mooie, rijke, ongetrouwde, dertigjarige, aristocratische Tekla de hoofdpersoon. Junius werkte hierin een aantal verwante thema’s uit, de ongetrouwde moeder, de ‘gevallen vrouw’, en de rechtsongelijkheid tussen gehuwden op het gebied van het scheidingsrecht. In Daisy’s eigen woorden heette het, dat Tekla: “de diepvoelende, moderne, jonge Hollandsche vrouw is, die niet meer kán leven binnen de enge grenzen door Zóó-hoort-het nauw om het leven van den mens, en nauwer nog om het bestaan van de Vrouw getrokken; Tekla kiest en gaat nieuwe wegen, zij verzet de bakens, niet in de eerste plaats uit eigen belang, doch vooral gedreven door een krachtig vrouwelijk medegevoel met ieder, die leeft en lijdt onder de huidig gangbare, maar valse moraal en onze onoordeelkundige huwelijkswetgeving.” Waar het instituut huwelijk in Jong Leven (en in haar eerdere verhalen) overeind bleef, ondergroef Junius bewust de fundamenten ervan in De bakens verzet. In de tussenliggende periode – van zes jaar – ontwikkelde zij een kritische zin. De plaatselijke dominee met zijn voorspelbare, conservatieve ideeën over het huwelijk en gezin fungeert in De bakens verzet als kraben springplank. Wat Junius in De bakens verzet als fictie verwoordde, werd in haar tijdschrift Nieuw Vrouwenleven levensdoel. Daarin pleitte zij voor het ‘vrije huwelijk’, ‘de vrije liefde’, en dat hoefde niet per se een huwelijk te zijn. Heel nieuw was dat standpunt toen niet: tien jaar daarvoor bepleitte De Savornin Lohman al hetzelfde inHet ééne noodige (1897), en ook daarin is een thema te vinden dat Daisy ook enkele keren in haar verhalen zou verwerken: zelfmoord. Jong Leven en De bakens verzet waren tegenpolen, of liever en beter: ze waren belangrijke ijkpunten in het werk van Daisy Junius.
Vanuit haar woonhuis annex bureau Nieuw Vrouwenleven aan de Utrechtseweg 98 te Heelsum liet zij het gelijknamige tijdschrift Maandblad voor Dames met Rubriek voor Heeren verschijnen; zij gaf er ook haar andere werk uit. Nieuw Vrouwenleven, waaraan ook haar zusje en een zwager meewerkten, verscheen tussen 1907 en vermoedelijk 1928. In die zin was Nieuw Vrouwenleven een familieblad.
Daisy Junius overleed ongehuwd op 24 mei 1951 te Renkum. Ze ligt met haar moeder en zusje in een familiegraf op Moscowa in Arnhem. Daisy was geen belijdend of actief lid van de hervormde kerk, maar liet haar onroerende goederen aan die geloofsgemeenschap na.

Werken (selectie en niet in de tekst genoemd)

  • Kapellen, Amsterdam 1895
  • ‘Van een gang naar de ovens’, in: De Amsterdammer, nr. 1439 (2 januari 1905)
  • ‘Oud vrouwtje van Rozande’, in: Eigen Haard 32 (1906), 746-747
  • Renovalia, Heelsum 1909
  • ‘H.A. van Ingen’, in: Eigen Haard 37 (1911), 45-48

Literatuur

  • R. Chamuleau, ‘Een vergeten schrijversfamilie en een vileine freule’, in: Ricochet, nr. 3 (januari 2003), 5-10
  • A. de Savornin Lohman, Herinneringen, Amsterdam z.j. [1909]
  • P van Wissing, ‘Kunst aan de Veluwezoom. De kunstenaars. vereniging Pictura Veluvensis’, in: D. Verhoeven (red.),Gelderland 1900-2000, Zwolle 2006, 20-25
  • P. van Wissing, ‘Trouwen? … trouwen, … meisjes, dat is geen kleinigheid’. Over de ‘combatante’ meisjesboekenschrijfster Daisy Junius (1868-1951)’, in: Arnhem de Genoeglijkste 26 (maart 2006), nr. 1, 29-38
Pieter van Wissing
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 6, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: drs. I.D. Jacobs (eindredactie), drs. C.A.M. Gietman, drs. R.M. Kemperink, dr. J.A.E. Kuys, E. Pelzers en dr. P "van Wissing .W.". Verloren, 2007, pagina's 60-63.

woensdag 2 april 2014

Louis de Bourbon (dichter) is in de gemeente Renkum geboren

Louis Jean Henri Charles Adelberth de Bourbon (Renkum27 december 1908 – Arnhem8 januari 1975) was een Nederlands dichter en prozaschrijver.
Bourbon was een achterkleinzoon van de in 1845 te Delft overleden Franse troonpretendent Karl Wilhelm Naundorff, wiens nazaten - ten onrechte, zou later blijken - gerechtigd waren de naam Bourbon te voeren.
Louis de Bourbon studeerde rechten te Nijmegen en behaalde daar in 1933 de meestertitel. Hij publiceerde zijn literaire werk in Het Venster en later in De Gemeenschap, waar hij redacteur van werd. Daarnaast was hij werkzaam in de journalistiek (onder meer in Nederlands Oost-Indië). Van 1938 tot 1941 was hij burgemeester van Escharen. In 1941 is hij benoemd tot burgemeester van Oss. Vanwege toenemende onvrede over de maatregelen van de Duitse bezetter nam Bourbon ontslag in 1943. Hij dook onder bij de kunstschilder Jacques van Mourik in Plasmolen en ging in het verzet. De Duitse bezetter veroordeelde hem bij verstek ter dood. Daags na de bevrijding van Oss (19 september 1944) werd Bourbon als waarnemend burgemeester van Oss aangewezen. In 1946 trad hij terug en wijdde zich vooral aan de letteren. Hij trouwde met de dochter van de man bij wie hij ondergedoken was geweest, Ity van Mourik.
Door de Leuvense professor Jean-Jacques Cassiman werd in 1998 aangetoond dat Naundorffs DNA niet verwant was met dat van familie De Bourbon. Daaruit kon worden geconcludeerd dat Louis de Bourbon geen nazaat van Lodewijk XVI is.

Geert H. Maassen heeft het volgende gedocumenteerd in: 2898 Documentatie Renkum 2, Gevonden archiefstukken, nr 702: Louis de Bourbon, Franse troonpretendent, werd geboren in Oosterbeek, woonde uiteindelijk te Doorwerth, stierf aan kanker, en werd begraven op de Algemene Begraafplaats Noord te Oosterbeek (graf B 362), 1975. Fotokopieën van krantenknipsels, 1975.
Lees hier verder

zaterdag 22 februari 2014

Pieter Jelles Troelstra trouwde in Renkum in 1888

Huwelijksakte van Pieter (Jelles) Troelstra en Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer, Renkum 11 oktober 1888 met kantmelding, en akte van inschrijving van het vonnis van echtscheiding van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, 27 december 1907.

Op 11 oktober 1888 werd te Renkum het huwelijk gesloten tussen de 28- jarige advocaat Pieter Troelstra (1860-1930) en de evenoude Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer (1860-0000), bekender als de schrijfster Nienke van Hichtum.

De sociale nood van de arbeidersklasse bestreed Troelstra - anders dan bijvoorbeeld Domela Nieuwenhuis - via de parlementaire oppositie, door de oprichting van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP); in 1897 vertegenwoordigde hij de SDAP in de Tweede Kamer. In 1903 voerde hij felle debatten met Abraham Kuyper over de spoorwegstaking. Tegen zijn wil in wilde de SDAP in 1913 na de succesvolle verkiezingen geen regeringsverantwoordelijkheid nemen. Een voorgenomen staatsgreep mislukte, en Troelstra erkende zich te hebben vergist in de revolutionaire gezindheid van zijn landgenoten.

De auteur Nienke van Hichtum schreef vanuit maatschappelijke bewogenheid een aantal verhalen, waarin - naar pedagogische opvattingen van toen - 'het kind het kind werd gelaten'. Het meest bekend werd ze met Afke 's tiental, dat inmiddels de vijftigste druk heeft bereikt. De Haagse Jan Campertstichting stelde na haar dood op grond van haar literaire werk de Nienke van Hichtumprijs in voor auteurs van jeugdboeken.

(RAGld, burgerlijke stand, Renkum huwelijken 1888, akte 36)

zaterdag 15 februari 2014

Paul Johan Reijmer (1882-1952)


Ten onrechte staat op Wikipedia dat deze man de naamgever is van de Reijmerweg in Renkum. Het is bekend dat de archieven van de gemeente Renkum verbrand zijn in WOII. Anders was deze verwarring niet ontstaan. 
Paul is wel in Renkum geboren, maar de Reijmerweg had die naam al toen Paul Reijmer nog een jonge man was en bovendien geeft zijn staat van dienst ook geen aanleiding voor deze eer.
Zie bijvoorbeeld http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/bwn3/reijmer. Daar vind je o.a. de volgende passages:
“Reijmer, Paul Johan (1882-1952) ……. Een ernstige ziekte noodzaakte Reymer in september 1928 zijn financiën te laten beheren door zijn zwager notaris J.B. Luykx. Deze bemerkte dat Reymer aanzienlijke ongedekte schulden had die hij hielp saneren.
Daartoe aangezocht door kabinetsformateur Ruijs de Beerenbrouck, werd Reymer op 10 augustus 1929 minister van Waterstaat. Het bleek geen gelukkige keuze te zijn, omdat hij - ondanks de aanstelling op 1 april 1930 van J.A. Ringers als directeur-generaal van Waterstaat - weinig greep kreeg op het omvangrijke ambtelijke apparaat. H.W. Tilanus vond hem 'als bewindsman weinig constructief' en P.J. Oud noemde hem achteraf zelfs 'volkomen onministrabel'. Het zendtijdbesluit 1930 van Reymer, uitgesproken gunstig voor de confessionele omroepen KRO en NCRV, werd door een meerderheid van het parlement goedgekeurd, maar bracht de AVRO ertoe het overleg met de minister af te breken.
Na zijn aftreden als minister in mei 1933 bleef Reymer ambteloos tot 1 januari 1935, toen hij burgemeester van Roermond werd. In deze gemeente van 17.000 inwoners beheerde hij de portefeuilles van financiën en onderwijs. Een groot succes is dit latere burgemeesterschap niet geworden. Hij kreeg als noorderling weinig voeling met de bevolking, wat hem vooral na de Duitse bezetting in mei 1940 parten zou spelen. Ook al beschuldigde het illegale blad Oranjepost van 21 september 1941 hem er ten onrechte van geheim lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) te zijn, hij ging wel vrij ver in zijn samenwerking met Duitse instanties en met de nationaal-socialistische commissaris van de provincie Limburg, M.V.E.H.J.M. graaf De Marchant et d'Ansembourg. Dit bleek bijvoorbeeld bij het ontslag dat Reymer de gemeentesecretaris, H.L.M. Kramer, eigenmachtig verleende op 6 december 1941, en uit het bijwonen van een demonstratie van de Hitlerjugend en de Nationale Jeugdstorm op 12 juli 1942. Onder overlegging van een medisch attest vroeg Reymer eind juli 1943 ontslag als burgemeester van Roermond en als waarnemend burgemeester van Maasniel (sinds december 1941 had hij die waarneming op zich genomen); dat ontslag werd hem met ingang van 6 september eervol verleend.
Op 6 oktober 1945 werd Reymer - na zijn aanhouding op 3 oktober 1945 in Haarlem - te Roermond in bewaring gesteld, verdacht van verraad en samenwerking met de Duitse bezetter. De betaling van zijn pensioen werd gestaakt. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen onder oplegging van beperkende voorwaarden voor een proeftijd van drie jaar (zie o.a. Maas en Roerbode van 26 en 27 september 1946). Na een lange procedure nam de minister van Binnenlandse Zaken op 25 maart 1949 het besluit Reymer alsnog krachtens het Zuiveringsbesluit 1945 te ontslaan en hem vervallen te verklaren van de pensioenrechten die hij als burgemeester opgebouwd had.

Dit was het trieste einde van een loopbaan die veelbelovend begonnen was en haar hoogtepunt vond in het burgemeesterschap van Hilversum (1922-1929). Het ministerschap ging de bestuurlijke krachten van Reymer te boven, en als burgemeester van Roermond mislukte hij, vooral toen hij de bezettingsmoeilijkheden niet aankon. Eind 1942 schreef Reymer een brochure:” Het eigen recht van het staatsgezag” (Maastricht, [1943]), waarin hij het katholicisme in Limburg 'geclericaliseerd' noemde en een strikte scheiding van kerk en staat bepleitte. Zowel door de inhoud als door het tijdstip van verschijnen van deze brochure zal hij nog meer katholieken van zich vervreemd hebben dan tevoren door het maken van schulden in zijn Hilversumse tijd en door zijn drankgewoonten.”

en tenslotte: 
De procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen.” 

Elders op het internet is sprake van een verklaring van “ontoerekeningsvatbaarheid”. Formeel werden zijn misstappen hem niet aangerekend, dus. 

Heinrich Gerhard Reijmer (1835-1922)

Heinrich Gerhard Reijmer is de naamgever van de Reijmerweg in Renkum en niet zijn zoon Paul Johan Reijmer, zoals Wikipedia aangeeft.

Op het internet[1] vinden we dat Heinrich Gerhard Reijmer op 17-04-1874 is genaturaliseerd tot Nederlander, dat hij steenfabrikant was en geboren in Wardhausen, bij Kleef. Heinrich Gerhard was dus een genaturaliseerde Duitser.  Hij was getrouwd met Arnolda Hermina van Wijck en woonde in Renkum. Daar is o.a. zoon Paul Johan geboren, hun 5e kind.
Renkum GH Reijmer 1889 Gelders Archief fotoalbum 570
Volgens genealogische gegevens op het internet[2] was Heinrich Gerhard op 26 october 1835 geboren in Griethausen, tussen Kleef en de Rijn. Zijn vader was Paulus Reijmer en zijn moeder Helena Verwaaijen.  In Heteren trouwde Heinrich op 8 september 1874 met Arnolda Hermina van Wijck, dochter van Richardus van Wijck en Jacoba Aleida Meijer. Van Wijck…dat klinkt bekend! Inderdaad: Heinrich was getrouwd met een telg uit het steen­bakkersgeslacht van Wijck, aan de overkant van de Jufferswaard. De steenoven van Reijmer zelf lag verder naar het westen, nog voorbij de steenoven De Ridder. Daarover vinden we op het internet: Steenfabriek Reijmer - 1873-1896 werd door aannemer Gerhard Heinrich Reijmer waarschijnlijk gepacht van eigenaar Van Leeuwen, werd “de Oven van Reijmer” genoemd en stond in de Randwijkse uiterwaarden in Heteren op de volgende coördinaten: 51° 57'42.67"N en 5° 43'8.56"O.[3] Dat is recht tegenover het huidige Aan den Rijn ten westen van de Reparco. Er is daar nu een natuurgebiedje en je vindt er niets meer van de Oven van Reijmer.
Nog steeds zien we geen voldoende redenen om een straat naar te noemen in Renkum, of wel? Nou ja, hij is raadslid en wethouder der gemeente Renkum geweest volgens Geert Maassen, wanneer precies is niet meer of zeer moeilijk te achterhalen. Heinrich is in 1922 gestorven. De vermoedelijke datering van de straatnaam komt overeen met het einde van Heinrich Reijmer’s leven. “Van aanzien” is hij wel geweest, zo te zien. We weten het (nog?) niet precies wat hij allemaal voor Renkum heeft gedaan, zodat deze straat naar hem genoemd is, maar duidelijk is dat zijn zoon dat niet gedaan kán hebben vóórdat de Reijmerweg die naam kreeg.

vrijdag 13 december 2013

Renkumer in hart en nieren: Joop Stoorvogel

Woensdag 30 augustus 2000 Hoog en Laag Achtergrond Pagina 7

Renkumer in hart en nieren: Joop Stoorvogel

“Renkumers moeten op voorrang op woonruimte krijgen”

Een serie over geboren en getogen Renkumers. De verhalen die zij vertellen doet het oude Renkum herleven. Maar ook geven zij hun mening over de huidige situatie in hun geboortedorp of omgeving.
Door Mieke Mintjes

In het jaar 1937 werd Joop Stoorvogel geboren op de Bellevue. Hij groeide op, vond werk bij Van Gelder en later bij een pianofabriek in Ede. Vervolgens reageerde de destijds 27-jarige op een advertentie en werd postbode. Maar liefst vierendertig jaar lang fietste en toerde hij als postbode door Renkum en omgeving. De goedlachse Joop is altijd wel in voor een leuk geintje en heeft in de loop der jaren al heel wat mensen in het 'ootje' genomen. Gezelligheid troef bij deze Renkumer, die enthousiast vertelt over zijn werk en dorpsgenoten, maar ook serieus ingaat op de veranderingen in zijn dorp.

„Ik zag een advertentie in de krant waarin een postbode gevraagd werd. Ik dacht, verrek, da 's net een mooi baantje voor mij. Nu stond er in de advertentie dat je een brief aan de directeur moest schrijven. Het leek mij veel beter om er even langs te gaan. Directeur Smit woonde naast het postkantoor in de Dorpsstraat. Ik aangebeld en nadat hij de deur opendeed heb ik mijn naam gezegd en ook dat ik voor de sollicitatie kwam. Dan moet je een brief schrijven, zei hij. Ik vertelde hem dat ik toch in de buurt was en dacht dat het zo ook wel kon. Na wat gemopper van zijn kant mocht ik binnenkomen. Hij vroeg wat algemene gegevens en zei dat hij me nog een test moest afnemen. Hij vroeg me als ik met de trein naar Amsterdam zou moeten, hoe ik dan zou reizen. Ik zeg nou, 'eers noar Ede, door deur noar Utrech en van doar uut noar Amsterdam'. Dat was goed geantwoord! Na een medische keuring die ok al niks veurstelde kon ik aan de slag."

Ongeveer anderhalf jaar lang werkte Joop met een arbeiderscontract. Daarna kreeg hij zijn vast aanstelling en werd beëdigd. „Ja, dan moet je een soort eed afleggen. Ik moest mee de kluis in. De deur bleef open hoor!"

Na drie weken met een collega meelopen te hebben, werd de gloednieuwe postbode zelfstandig en bezorgde keurig de post bij de mensen in zijn wijk. Naast zijn werk in Renkum, was Joop ook reserve in Heelsum. In dat dorp werkte de post met vier mensen, in Renkum met ongeveer acht. Bij ziekte of vakantie viel de Renkumer in. „Je kon de klok er op gelijk zetten, als ik in Heelsum moest invallen had ik altijd de grootste wijk. Ik weet niet hoe ze het flikten, maar het was wel zo," lacht de postbode hartelijk.

Alhoewel de postbodes, volgens Joop, best een mooi baantje hadden, meent hij dat we niet moeten vergeten dat de winters vroeger veel strenger waren dan tegenwoordig. Ook het feit dat alle post per fiets bezorgd moest worden. Sommige routes leidden de postbodes ver richting Ede. „Je kwam de postbode van Ede tegen! Je moest alle boerderijen en afgelegen huizen af, dat was een heel eind." Namen als Dorrestijn, Tinsen, Staadegaard, Penning, Brouwer, Koker, Wisgerhof en vele anderen passeren als Joop de route uitlegt.
„Bij Huize de Keijenberg kregen we koffie." De collegae waar Stoorvogel mee werkten, waren onder andere Jan Ruisch, Wimpie Ruisch, Willie Wildeman, Piet Böhmer, Evert van Dijk, Frans van de Veen, R. Hoefakker, J. van Weley en als leermeester trad op Toontje Rus.

Streken
Met een quasi onschuldig gezicht zegt de voormalige postbode:”Als er bij de post iets gebeurd was, wees iedereen gelijk naar  mij." Op de vraag eens een paar streken te vertellen lacht hij en vertelt het volgende verhaal: „Ken je Wout van de Born nog? Hij woonde op de Keijenbergseweg. De kraakwagen kwam destijds iedere week langs om rommel op te halen. Ik liep er met de post en zag dat Wout bij de kraak een paar schoenen neergezet had. Van die hoge kistjes. Gaten in de zolen. Ik denk 'die neem 'k mee, wöh'! Ik die dingen in de fietstas gedoan. Veertien dagen gewacht, een mooi doosje opgezocht, oude schoenen erin en er een prachtig postpakket van gemaakt. Op naar Wout en aangebeld. Dag Stoor, zei hij, wie zou de gulle gever zijn? Ik zeg 'dat weet je maar nooit', liet hem tekenen en riep 'nou ajuu heur!' Maar ja, ik moest dezelfde weg ook weer terug. Daar stond de dikke Wout te schuddebuiken van het lachen. Schik dat hij had!"

Niet alleen dorpsgenoten konden rekenen op een kwajongensstreek van Joop, ook de andere postbodes ontkwamen niet aan zijn geintjes. „Iedere morgen rond zes uur bracht Silfhout vanuit Arnhem de post op het kantoor. Eerst leverde ze de post in Wageningen af, daarna was Renkum aan de beurt. Ik op een morgen heel vroeg naar het Dorpspleintje want daar stond een telefooncel. Ik heb het Renkumse postkantoor gebeld en vertelde dat ik de bestuurder was van de wagen die de post moest afleveren. Maar dat ik dat niet kon omdat de auto stuk was gegaan en ik onder aan de Wageningse Berg stond. Of ze de post maar wilde komen halen! Ik hoorde een gevloek en gemopper! Even later zag ik ze op de fiets aankomen. Hé jongens, waar gaan jullie naar toe? Op dat moment kwam de wagen met de post aangereden. Och, och, wat heb ik gelachen."

„Ook Rikke, de hoofdbesteller, heb ik een keer te pakken gehad. Die ging thuis wel eens een middagdutje doen. Tussen de eerste en de tweede trans. Om drie uur in de middag was de volgende dienst. Hij kwam nooit te laat op het werk. Ik ben op een middag, terwijl hij lag te slapen, naar zijn huis gegaan en heb alle luiken dichtgedaan. Lekker donker in huis toch? Hij kwam een uur te laat op zijn werk! Oh ja, hij vroeg in de Kersttijd ook eens om een kerstboom. Na de kerst heb ik de inmiddels kale kerstboom van ons thuis, bij hem in de tuin gezet. Ja echt, al die dingen kon je vroeger gewoon uithalen. Ik heb bij de post echt een leuke tijd gehad," meent de grappenmaker met tranen in de ogen van het lachen. „Weet je, er kwam eens een collega van mij met de post een hof pad oplopen. De mevrouw die daar woonde vroeg hem 'je leest onze post toch niet hè?' Waarop de collega antwoordde 'dat zou ik nooit doen mevrouw, maar u krijgt zondag wel visite."

Paardrijden
Als kleine jongen heeft Joop uiteraard ook het nodige meegemaakt in zijn dorp. „Ik weet nog goed dat als we vroeg in de morgen naar de Wilhelminaschool gingen, we voorbij de boerderij van Peelen kwamen. Daar hadden ze vaak een vrachtwagen gekookte piepers neergekiept. Als varkensvoer. Die piepers waren nog gloeiend heet. Wij pakten dan een handvol op, haalde de schil eraf en aten die dingen op." „Op onze vrije woensdagmiddag gingen we ook naar Peelen. Dan mocht je met de voerman mee. Prachtig! Later in de middag, tegen zes uur werden de paarden in een lange rij aan elkaar gebonden en naar de wei bij Onder de Bomen gebracht. De kinderen mochten op de paarden zitten. Wie te laat kwam had pech. En ja, het is feitelijk een rotstreek, maar dan jaagden we die paarden wel op. Net zolang tot er één van de kinderen van het paard duvelde. Dan sprong je er gauw op."

Net als veel dorpsgenoten heeft Joop zich ook vermaakt met het rapen van eikels, beukennootjes en tamme kastanjes. Die werden voor een paar centen verkocht aan Nellestein de kolenboer. Ook bosbessen plukken was een geliefde bezigheid van veel Renkumers. Ze maakten er jam en dergelijke van. „Wij verkochten de bosbessen aan een mevrouw die aan de Utrechtseweg woonde. Daar kreeg je 'goed' geld! Maar dan ging mijn moeder mee, die inde de centen!"

Joop Stoorvogel is geboren op de Bellevue, maar verhuisde al op jonge leeftijd naar de Groenendaalseweg. „Niemand had daar riolering. De gierput moest twee keer per jaar geleegd worden. Dat mocht pas na tien uur in de avond. Bij ons thuis waren drie jongens. Als mijn vader van zijn werk bij Van Gelder thuis kwam, zaten wij al met twee teilen te wachten. De put hadden we overdag al open gegraven. We hoefden alleen de deksel er af te halen. Vader schepte met een gierschep de smurrie in de teilen, wij gooiden het spul over het land. Dat stonk natuurlijk vreselijk. Als mensen dat roken zeiden ze, daar hebben ze bruiloft."

Woonjaren
Over het huidige Renkum heeft Joop zo zijn eigen gedachten. „Ieder jaar heb je hier Renkum Bomvol. Meneer Hageman is van de organisatie. Ik zou hem eens willen vragen of de organisatie niet de muziekverenigingen in Renkum en Heelsum de gelegenheid wil geven om tijdens die dag te spelen. Ze willen best, maar willen wel gevraagd worden. De laatste keer ben ik bij Renkum Bomvol geweest. Ik vond het een dooie boel! Zo hier en daar op een hoek een stel muzikanten is veel gezelliger.''

Het Renkum van tegenwoordig kun je niet vergelijken met vroeger, is Joop van mening. „Het is een heleboel import. Wat me tegen de borst stoot is het volgende. Neem nu mij bijvoorbeeld. Ik ben twee jaar geleden verhuisd. Veronderstel dat ik het op mijn huidige adres niet naar mijn zin zou hebben (wat overigens niet het geval is). Als ik naar de woningstichting ga om een ander huis te vragen is de procedure tegenwoordig dat ik dan twee zogenaamde 'woonjaren' heb. Heeft iemand uit bijvoorbeeld Nijmegen vijf woonjaren, heeft die persoon voorrang en krijgt dus het huis dat ik wellicht graag zou willen bewonen. Nou, da vin 'k maar niks! Ik vind dat de echte Renkumers voorrang op woonruimte moeten hebben. Wij Renkumers komen bijna niet aan bod. Maar wie heeft Renkum opgebouwd? Dat zijn wél de Renkumers!"

Uiteraard voor Joop Stoorvogel ook de vraag hoe hij over het plaatselijk dialect denkt. Hij lacht eens omdat hij het hele gesprek in het dialect gevoerd heeft. „Wij hebbe een mooi dialec en da wou 'k graag zo houwe! As ik anders pröat heur ik mezelf. Ik bin hier gebore en getoge. Ik bin een Renkumer en da w' ik blijve!!"



donderdag 3 oktober 2013

De opa van Arthur Japin, Lambertus van den Berg, is geboren in Renkum op 29 oktober 1891

Overgenomen uit: Utrechts Nieuwsblad/Amerfoortse Courant, oktober of november 2004
Bertus van den Berg is inderdaad de opa van ArthurJapin. Hij is inderdaad die man van de foto op zijn Harley Davidson, dat door geilheid en driften geleid vrijbuiterstype. Foto CPD - Niels van der Hoeven

Utrechtse schrijver Arthur Japin vindt die ‘Vrijbuitende’ motorrijder

Het bewogen leven van een opa

Op de snelweg bij Eindhoven hoort Bart van den Berg op een zaterdagmiddag voor het eerst over een Nederlandse schrijver met de naam Arthur Japin. 't Is eind oktober, uit de autoradio klinkt de vrolijke praatshow Spijkers Met Koppen. Japin is uitgenodigd vanwege zijn zoektocht naar zijn opa.
Hij vertelt wat hij weet. Dat zijn opa Lambertus van den Berg heette, dat hij een Rotterdams/Schiedamse bouwkundige was en dat hij in 1926 een ernstig motorongeluk is overkomen.
Bart van den Berg:”Eerst hoorde ik die naam: Lambertus van den Berg. Tja, er zijn meer hondjes die Fikkie heten. Daarna hadden ze het over Schiedam, over Rotterdam, over het geboortejaar 1891 en ik dacht: toevallig!" „Toen het over een bij een ongeluk verbrijzeld been ging, wist ik genoeg, en toen de eerste cijfers van het kenteken van de motor werden voorgelezen, vroeg ik mijn vrouw haar telefoon te pakken. Let op, zei ik. Na de l en de 7 komen de 3, de 6 en de 9. Schrijf jij gauw het telefoonnummer van Spijkers Met Koppen op." Een telefoonnummer wordt niet genoemd, dus Bart van den Berg stuurt een paar dagen later via internet een mailtje. Ja, hij kent Lambertus van den Berg. Het is zijn vader, en als Arthur Japin hem eens wil bellen, dan mag dat gerust.

Wat voorafging.
Op zaterdag 9 oktober start Arthur Japin een zoektocht naar zijn onbekende opa. Veel weet hij niet. Hij heeft een naam (Lambertus van den Berg), een woonplaats (Rotterdam of Schiedam), wat jaartallen (de jaren twintig), een beroep (architect of bouwkundige) en een foto van zijn opa op een motor. Verder is er de herinnering aan een lang gesprek met de al jaren geleden overleden oma Maria Japin, die in de jaren twintig de geliefde was van de getrouwde man Bertus van den Berg. Zij heeft daar een kind aan overgehouden: Bert junior, de vader van Arthur Japin.
Reeds kort na de geboorte van junior, liep -na een ernstig ongeluk met de motor - de relatie
tussen oma Japin en haar getrouwde minnaar spaak. Het kind ging verder door het leven
als onecht (Nog Niet Erkend, stond op de papieren van de burgerlijke stand) en zou dat een leven lang nooit kunnen verkroppen. Geteisterd door verdriet en andere problemen, maakt vader Japin in 1969 een einde aan zijn leven.
Door dat leed geraakt en uit gezonde nieuwsgierigheid, gaat zijn zoon, de inmiddels bekende
schrijver Arthur Japin, 35 jaar later alsnog op zoek naar meer informatie over een opa, die vrijwel zeker al jarenlang dood is. Hij zegt met nadruk geen familiemens te zijn, maar wil toch het verhaal kennen achter de motorfoto. Hij wil weten of die man op die Harley Davidson inderdaad, zoals volgens hem de foto vertelt, een door geilheid en driften geleid vrijbuiterstype was. Hij wil weten waarom opa Van den Berg nooit scheidde van zijn wettige echtgenote en dus zijn geliefde een leven lang alleen liet met het door hem verwekte kind. Hij wil weten waar de goede man gebleven dan wel begraven is. „Uiteindelijk wil ik natuurlijk naar zijn graf toe," zegt Japin. Zijn zoektocht loopt niet direct voorspoedig. Hij krijgt tips, maar die zijn niet doorslaggevend.
 
Hij zocht het levensverhaal van zijn opa, en vond het. De Utrechtse schrijver Arthur Japin, die op zoek ging naar de geschiedenis achter de uit het oog verloren vader van zijn vader, ontrafelde het mysterie. Onder de zo gekoesterde foto van die stoere, geile vrijbuiter op zijn motor kan nu een flink stuk tekst worden gezet. Met dank aan oom Bart.

Toch stuit hij na enig speurwerk in gemeentearchieven op de enige, echte Lambertus van den Berg. De man blijkt geboren in het Gelderse Renkum, op 29 oktober 1891, en getrouwd (op 02-05-1918) met de zes jaar oudere Geertruida Roij. Het stel woont in Leiden, Rotterdam, Hillegersberg en Schiebroek en keert in de jaren veertig terug naar Schiedam.

Japin en de verslaggever maken zich al op voor verdere speurtochten. Moeten ze bijvoorbeeld niet eens wat begraafplaatsen in de Rotterdamse regio afstruinen? Dan treedt Arthur Japin op in het radioprogramma Spijkers Met Koppen, zit Bart van den Berg stomtoevallig niet bij zijn zus op de koffie maar op de Brabantse snelweg, hoort hij via de autoradio " eens van Japins zoektocht naar ene Lambertus van den Berg en heeft Arthur Japin er opeens een oom bij. Die man blijkt door de telefoon een verdraaid aardige vent, die rap met feiten strooit. Zo komt Japin te weten dat opa Van den Berg in 1974 in Hilversum is overleden.

Novembermiddag in het oosten van het land.

Arthur Japin rijdt achter Winterswijk naar het Duitse Vreden, sinds kort de woonplaats van Bart van den Berg, zijn 61-jarige oom. Japin is lichtgespannen. Vraagt zich af wat zijn oom wel niet vindt van alle poespas rond een verre neef die op zoek is naar wat wetenschap over zijn roots.

Het is hier net alsof ik tegenover mijn broer zit. De krullen. Dat gezicht. Net Gerrit

Dat valt mee. Achter de donkerhouten deur, die openzwaait, staat een witgrijze vent met een gulle lach: Bart van den Berg. „Jij moet Arthur zijn!" zegt hij. „Kom binnen!" Binnen wacht Barts echtgenote Marianna, een kordate vrouw die direct het haar van Japin bestudeert.
„Krullen," zegt ze. Bart van den Berg:„Mijn vader had ook krullen, maar hij kamde ze weg. Een ijdel mens." Zijn vrouw: „En die ogen." Bart: „Het is hier net alsof ik tegenover mijn broer zit. De krullen. Dat gezicht. Net Gerrit." Marianna: „Heb jij soms ook zo'n kromme rug?" Bart: „Wat is je schoenmaat? 45,46? Pa had 48."
Dan verschijnt een rode multomap op tafel. Vergeelde foto's, een op de computer uitgedraaide onaffe stamboom. En Bart van den Berg vertelt over Bertus. Bertus van den Berg, Japins opa, werd bijna 83 jaar en trouwde drie keer. Zijn echtgenotes schonken hem twee naar hem vernoemde zonen en twee dochters. Zoon Bart moet zich wel heel sterk vergissen als vaderlief niet ook nog enkele buitenechtelijke kinderen verwekte, van wie er ten minste eentje ook zijn naam zou dragen.

Bertus van den Berg was dus een vrouwengek. Een echte liefhebber. „Pa had een bewogen
leven," zegt zoon Bart. „Hij had veel flair. Kon goed met mensen omgaan, vooral als het om vrouwen ging. Die liefde voor vrouwen heb ik ook wel. Als er een vrouw in een gezelschap is, zit ik er altijd naast. Pa was een man van uitersten. Als hij een vriendin had, dan had zij hem ook helemaal."
De oma van Arthur Japin, de zoveelste vrouw in het leven van Bertus van den Berg. Nee, van haar heeft Bart van den Berg tot voor kort nog nooit gehoord. „Over dat soort zaken werd bij ons thuis niet gepraat." Een paar minuten later is een en ander geconstrueerd: tijdens zijn eerste huwelijk met ene Geertuida Roij, waaruit zoon Gerrit werd geboren, startte Bertus van den Berg een affaire met zijn zes jaar jongere Schiedamse vriendinnetje Maria Japin. Zij schonk hem begin 1926 zoon Bertus, de vader van Arthur Japin. Het liefdesgeluk eindigde die zomer nog. Eerst verbrijzelde Bertus bij een motorongeluk zijn onderbeen. Later, nog op zijn ziekbed, raakte hij plotseling verliefd op de zeventien jaar jongere vrouw die namens het verzekeringskantoor het ongeluk afhandelde. Voor haar verliet hij Maria. Zijn kind Bertus jr. zou zijn vader nooit spreken.
Dwars tegen kerkwetten en tijdgeest in, leefde Bertus van den Berg jarenlang in zonde samen met zijn nieuwe vlam. Pas in de jaren veertig - een buitenechtelijke dochter was reeds geboren - scheidde Bertus van zijn eerste vrouw. Snel trouwde hij met zijn vriendin Riet, die hem, als vijftiger, nog zoon Bart en dochter Jos schonk. Toch bleef opa Van den Berg polygaam.
,,We wisten altijd dat er andere vrouwen waren," zegt Bart van den Berg, „maar hij heeft er wel voor gezorgd dat die vrouwen ook later niets tekortkwamen. Hij heeft zijn hele leven nog voor zijn eerste vrouw gezorgd. Zo was pa dan ook wel weer." Japin: „,Mijn oma heeft nooit een cent van hem willen aannemen. Wellicht was ze gekwetst, omdat hij niet terugkwam naar haar, maar direct een nieuwe relatie begon."
Voordat Bertus van den Berg in 1974 overlijdt, trouwt hij op 70-jarige leeftijd nog met de twintig jaar jongere vrouw Hannie, die daarvoor jarenlang zijn minnares is geweest.
Japin: „Waar is hij begraven?" Bart van den Berg: „Hij is gecremeerd. In het crematorium in Utrecht." Japin: „In Utrecht? Mijn oma ook... Zé zijn dus na al hun omzwervingen in dezelfde vlammen opgegaan."
Dan ontstaat in die Duitse huiskamer een vrolijk gesprek over een vrijbuiter, zijn vrouwen, kinderen en motor, de stoere Harley Davidson. Japin: „Als schrijver zeg ik: De motor is de hoofdrolspeler van dit hele verhaal." Bart van den Berg vertelt. Over verre familie die hij uit het oog verloren is, over nog meer vermoede relaties van vaderlief, over een arbeidsleven in de randstedelijke bouwwereld, dat sinds kort is ingeruild voor een rustig bestaan in de Duitse grensstreek. Over dat motorongeluk op de kruising Coolhavenbrug/Rochussenstraat, dat zo cruciaal was voor de levens van Bertus van den Berg, Maria Japin en hun zoon Bertus junior.
„Hij botste met de motor op een slagersjongen. Het been van pa kwam op de stoeprand terecht en werd door de treeplank van de motor verbrijzeld. In het ziekenhuis hebben ze hem geopereerd. Het been was te kort geworden. Dus hebben ze er een stuk kalfspoot tussen gezet.

Mijn oma en opa zijn dus na al hun omzwervingen in dezelfde vlammen opgegaan

"Japin: „Zo, dus ik had een opamet een kalfspoot." Zo praten ze door. Over broers, zussen, kinderen, het schrijverschap, het versturen van kerstkaarten en over die onvermijdelijke man op die motor.
Bart van den Berg: „Ik kan hier goed over praten. Dit verhaal doet geen pijn meer. Iemand is driekwart eeuw geleden vreemd gegaan.
Wat dan nog?" Arthur Japin: „Op een dag is alles geschiedenis."

Idee voor in de grabbelzak
Vier dagen na zijn bezoek aan oom Bart in Duitsland zegt Arthur Japin door de telefoon dat hij blij is dat de zoektocht naar opa Van den Berg geslaagd is. ,
„Mijn nieuwsgierigheid is voor een groot deel bevredigd. Mij interesseerden vooral die dramatische wendingen. Die waren genoeg om in mijn hoofd - voor mezelf- het hele verhaal te maken. Ik weet nu waar mijn ouders hebben gestaan toen ze in de jaren vijftig nog eens het bedrijf van mijn opa bekeken. Ik weet nu dat hij direct na het motorongeluk in het ziekenhuis alweer een ander vond."

Heb je, dit wetende, een oordeel over je opa?
„Ik probeer nooit over iemand een oordeel te hebben. Maar het geweldige idee dat ik had, over een vrijbuiter, die zijn hart volgt en zo zijn eigen weg gaat, is anders dan de praktijk. Want voor de slachtoffers van zo'n man is het allemaal veel minder. Dan blijft van dat romantische verhaal niet veel over. De mensen om mij heen hebben wel ontzettend moeten lachen toen ik vertelde over opa's overspelige
natuur en eensgezind trokken ze de conclusie dat ik daarmee dus erfelijk ben belast"

Komt er ooit nog een roman over opa Van den Berg en oma Japin?

„Dit verhaal komt in die grabbelzak vol ideeën die ik altijd op mijn rug draag."