Onlangs speldde
defensieminister Hennis bij Corstiaan de Haan (54) de Orde van Oranje-Nassau
met de Zwaarden op. „Toen ze opsomde waarvoor dat allemaal was, voelde ik
emotie toen de MH17-ceremonie passeerde. Toen begreep ik welke impact de terugkeer van de slachtoffers nog steeds
op me heeft.” De luitenant-kolonel is hoofd ceremonieel en protocol van het Commando
Landstrijdkrachten in Utrecht. Uit hoofde van die functie werd hij vorig jaar
opgetrommeld om de thuiskomst te regelen van de stoffelijk overschotten op
vliegbasis Eindhoven.
zondag 26 juli 2015
Een Renkumer geridderd: Luitenant-kolonel Corstiaan de Haan 2015
Luitenant-kolonel
Corstiaan de Haan, hoofd ceremonieel en protocol van het Commando
Landstrijdkrachten. „Een klus die ik mijn leven niet meer vergeet.”Foto: Serge
Ligtenberg
zondag 15 juni 2014
Daisy Junius 1868-1951, Schrijfster en Redactrice woonde in villa Mimosa te Heelsum
In "Groen was mijn Dorp" schreef Wes Beekhuizen op blz. 170: "Wel vertelt Wesselink iets over een soort artiestenkring die zich in ons dorp gevormd had na de eeuwwisseling en waartoe, behalve vele schilders, ook de beeldhouwer August Falise, enkele schrijfsters en sommige, z.g.n. kunstlievende leden behoorden.
Een van die schrijfsters, de kleine Daisy Junius, herinner ik me heel goed en haar villaatje Mimosa, schuin tegenover het Kurhaus van dokter Marx, evenzeer. Daisy Junius schijnt een romantische natuur te hebben bezeten hetgeen zelfs tot uiting kwam in de namen die zij gegeven had aan de slingerpaadjes in haar grote achtertuin die reikte tot aan het Heelsumse broek. In die lusthof kronkelden het Pad der liefde, het Pad der dromen, het Pad der manestralen, enz."
Zie verder: http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/6_Daisy_Junius
Zie verder: http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/6_Daisy_Junius
Daisy Junius
1868-1951, Schrijfster en Redactrice
Egberdina Anna Junius werd op 4 augustus 1868 in Groot Letjesbosch (Zuid-Afrika) geboren als vierde en laatste kind van de journalist Johan Hendrik (Henri) Junius (1836-1899) en Sara Helena Keppel Hesselink (1842-1922). Ook de drie andere kinderen waren in ZuidAfrika geboren: zus Anna Maria te Prins Albert in 1861 en haar broers Herman Gijsbert in Groot Letjesbosch in 1863 en Jan Hendrik te Beaufort in 1865. Egberdina, die zich bij haar schrijversnaam Daisy liet noemen, overleed te Renkum op 24 mei 1951.
Egberdina Anna (Daisy) Junius in 1908 op veertigjarige leeftijd (foto: Collectie Letterkundig Museum, Den Haag)
Hoe de kinderen Junius hun jeugd in Zuid-Afrika hebben doorgebracht weten we niet, maar uit de titel en inhoud van het reisboek Zonnig Afrika (Haarlem 1892), dat voor een belangrijk deel op naam van hun moeder staat, kan afgeleid worden dat zij daar tamelijk zorgenvrij op terugkeken. Trouwens: wie zo indringend over jeugdervaringen en opgroeiende meisjes kan schrijven als Daisy moet welhaast op een aansprekend voorbeeld kunnen terugvallen. Haar ouders, Gelders van oorsprong, trouwden in 1861 in Kaapstad. Enige jaren later betrokken zij een huis in de omgeving van Beaufort, waar vader redacteur van de lokale krant The Beaufort West Courier was. Misschien kreeg moeder heimwee; feit is dat zij en de kinderen eind jaren ’80 repatrieerden. Vader bleef achter en zou in 1899 in het Zuid-Afrikaanse Piket Berg overlijden.
Moeder en de beide dochters betrokken een kleine villa aan de Utrechtseweg 98 te Heelsum. Het gereconstrueerde bevolkingsregister van Renkum, waartoe Heelsum behoort, laat zien dat Egberdina daar in 1945 nog steeds woonde, evenals haar zuster Anna, inmiddels weduwe.
Vrij snel nadat de familie zich in Renkum had gevestigd, begon Egberdina te publiceren. In 1890 verscheen haar debuut, de bundel Uit den caleidoscoop bij de Arnhemse uitgever Jan Minkman. Op de titelpagina prijkt haar nom de plume: Daisy E.A. Junius. In het korte openingsverhaal ‘Inkwartiering’ beschreef Daisy hoe de komst van huzaren de gemoederen van een dorpsgemeenschap bezighield: getrouwde dames werden zenuwachtig, jonge meisjes verheugden zich op de komst van de militairen, oude meiden hoopten op een fooitje, jongeren op een gezellig praatje, boeren legden vers stro in de deel en de schoolmeester tobde met tanend gezag. De titel geeft ook de vorm aan: je ziet een bonte mengeling van dorpstaferelen onder de caleidoscoop doortrekken. Het ging Junius om de schildering, het observeren.
Kinderen, gezin, ouders en familie spelen een grote rol in haar werk. Het is veel leed en geluk dat haar verhalen thematisch verbindt, mooi, fris en helder beschreven. Plot en slot verlopen in haar verhalen vaak anders dan de lezer verwacht. Junius’ verhalen ademen de geborgenheid die destijds ook opsteeg uit tijdschriften als Eigen Haard, Elsevier’s Geïllustreerd Maandblad en de Katholieke Illustratie.
Tussen 1890 en 1909 verschenen naast haar debuut nog een toneelspel, twee bundels verhalen en drie romans. In die twintig jaar ontwikkelde haar thematiek zich met de veranderende maatschappelijke verhoudingen. Zo komt in Adel luitenant Jonker Hendrik Bringersoord tot het inzicht dat zijn verloving met freule Nelly van Doorn op een verkeerde keuze is gebaseerd: zij passen niet bij elkaar. Hij viel voor een nichtje met een karakter dat volstrekt tegengesteld aan dat van de freule was. Het nichtje was niet van adel, ze was de dochter van een kunstschilder. ‘Verversverliefdheid’, dat kan niks wezen, bromde Hendriks vader. De generatiekloof is daar. Tijdig weet Junius een ironische toets aan te slaan, als zij de ‘Bond tot verbetering of uitroeiing van lichtzinnige mannen’ en andere soortgelijke gezelschappen in het verhaal vlecht, en er de aristocratie mee bespot. De achtergrond, het schildersmilieu, wortelde in ‘Pictura Veluvensis’, de kunstenaarsvereniging, die in 1902 te Renkum was opgericht. Rond de Haagse schilder Théophile de Bock, die zich in 1895 te Renkum vestigde, verzamelden zich allerlei landschapschilders, onder wie Hendrik van Ingen, de Veluwse schilder die zij het meest bewonderde en over wie zij in 1911 publiceerde. De kring trok vanaf het begin ook andere kunstenaars aan, zoals de beeldhouwer August Falize en Daisy Junius.
Daisy’s grote roman Jong Leven (1901) heeft denkelijk de meeste bekendheid genoten, en daaraan is de schrijfster en redactrice Anna de Savornin Lohman (1868-1930) ongewild debet geweest. Het titelblad vermeldt als auteur ‘Daisy met tekeningen van JUNIUS’. Wie met de laatste werd bedoeld, is niet duidelijk. Daisy zelf zou later ontkennen dat zij de tekeningen had gemaakt. In deze roman viert een aantal vriendinnen in Arnhem hun vakantie, voordat ze hun studies zullen vervolgen. Ze logeren bij de ouders van een van de meisjes. Ouders wier huwelijk geslaagd is, want moeder geeft de meisjes regelmatig een kijkje in haar huwelijksleven: “Trouwen?”, zei mevrouw, “trouwen … meisjes, dat is geen kleinigheid”; gevolgd door talloze voorbeelden uit mevrouws praktijk en die van anderen over situaties waarin het in het huwelijk mis kon gaan. Maar uiteindelijk was Junius’ opvatting: “Duizendmaal te benijden is elke vrouw, die een werkkring vervuld [sic] en in vrede en vreugde haar leven doorbrengt.” Zoals met elk boek: als je er niet voor openstaat, wordt de lectuur ervan niks. Het gaat bij literatuur in eerste en laatste instantie altijd om herkenbaarheid van de beschreven situatie, de geuite gevoelens, de verwoorde gedachten. Dat mag dan zo zijn, kort na verschijning werd deze roman door Anna de Savornin Lohman neergesabeld. Nu was de rancuneuze Anna iemand met wie je het gemakkelijk aan de stok kon krijgen; de controversiële schrijfster had haar aanhangers, maar telde ook vele vijanden. Ruim 45 jaar was zij redacteur van De Hollandsche Lelie, ‘weekblad voor jonge dames’. Hoewel Anna het omstreeks 1907 ook op andere schrijvende telgen uit het Juniusgeslacht had gemunt, viel Daisy de twijfelachtige eer te beurt als eerste de kritische aandacht van de redactrice annex recensente van De Hollandsche Lelie te trekken: “Is het een toevallige samenloop van omstandigheden, waardoor Jong Leven voortdurend zoo’n in ’t oog loopende overeenkomst heeft met Schoolidyllen?” sneerde Anna in het Soerabajasch Handelsblad van 8 februari 1902, waaruit zij werd geciteerd in De Hollandsche Lelie van 18 maart 1903. Meteen zo’n onverzoenlijke toon. Het zou ook nooit meer goed komen tussen die twee. Toen De Savornin Lohman de beschuldiging van plagiaat een jaar later in het Haagse dagblad Het Vaderland herhaalde en nog eens in haar eigen De Hollandsche Lelie, ontstak Daisy in woede. Ze overwoog gerechtelijke stappen, ook al omdat de titel en de auteur in de besprekingen verkeerd waren gespeld. Dat laatste lijkt voor de neutrale lezer geen halszaak, maar voor Daisy was het dat toch wel, want Anna had haar pseudoniem onthuld. Daisy diende inderdaad een klacht in, maar de zaak werd enige tijd later geseponeerd, zoals Anna haar lezers inDe Hollandsche Lelie triomfantelijk liet weten. Daisy beweerde echter dat dat pas gebeurde nadat Anna haar excuses had gemaakt.
Daisy’s werk was zorgvuldig gestileerd en verrassend, daar waar ze het vertellersperspectief geleidelijk van de ene naar de andere verhaalfiguur over liet gaan. Haar verhalen gaven een indruk van het leven van de gegoede burgerij in haar tijd, maar haar (meisjes)boeken waren vooral even zovele pleidooien voor de economische, geestelijke en sociale zelfstandigheid van de vrouw. Ook al ging het soms verschrikkelijk mis, zoals in Op verkeerde grondslagen, waarin de vrouwen op basis van hun verkeerde keuzen met de gevolgen werden geconfronteerd.
Maar er was meer. Terwijl de personen in de meeste van haar boeken jonge meisjes onder de twintig zijn, is in De bakens verzet (1907) de mooie, rijke, ongetrouwde, dertigjarige, aristocratische Tekla de hoofdpersoon. Junius werkte hierin een aantal verwante thema’s uit, de ongetrouwde moeder, de ‘gevallen vrouw’, en de rechtsongelijkheid tussen gehuwden op het gebied van het scheidingsrecht. In Daisy’s eigen woorden heette het, dat Tekla: “de diepvoelende, moderne, jonge Hollandsche vrouw is, die niet meer kán leven binnen de enge grenzen door Zóó-hoort-het nauw om het leven van den mens, en nauwer nog om het bestaan van de Vrouw getrokken; Tekla kiest en gaat nieuwe wegen, zij verzet de bakens, niet in de eerste plaats uit eigen belang, doch vooral gedreven door een krachtig vrouwelijk medegevoel met ieder, die leeft en lijdt onder de huidig gangbare, maar valse moraal en onze onoordeelkundige huwelijkswetgeving.” Waar het instituut huwelijk in Jong Leven (en in haar eerdere verhalen) overeind bleef, ondergroef Junius bewust de fundamenten ervan in De bakens verzet. In de tussenliggende periode – van zes jaar – ontwikkelde zij een kritische zin. De plaatselijke dominee met zijn voorspelbare, conservatieve ideeën over het huwelijk en gezin fungeert in De bakens verzet als kraben springplank. Wat Junius in De bakens verzet als fictie verwoordde, werd in haar tijdschrift Nieuw Vrouwenleven levensdoel. Daarin pleitte zij voor het ‘vrije huwelijk’, ‘de vrije liefde’, en dat hoefde niet per se een huwelijk te zijn. Heel nieuw was dat standpunt toen niet: tien jaar daarvoor bepleitte De Savornin Lohman al hetzelfde inHet ééne noodige (1897), en ook daarin is een thema te vinden dat Daisy ook enkele keren in haar verhalen zou verwerken: zelfmoord. Jong Leven en De bakens verzet waren tegenpolen, of liever en beter: ze waren belangrijke ijkpunten in het werk van Daisy Junius.
Vanuit haar woonhuis annex bureau Nieuw Vrouwenleven aan de Utrechtseweg 98 te Heelsum liet zij het gelijknamige tijdschrift Maandblad voor Dames met Rubriek voor Heeren verschijnen; zij gaf er ook haar andere werk uit. Nieuw Vrouwenleven, waaraan ook haar zusje en een zwager meewerkten, verscheen tussen 1907 en vermoedelijk 1928. In die zin was Nieuw Vrouwenleven een familieblad.
Daisy Junius overleed ongehuwd op 24 mei 1951 te Renkum. Ze ligt met haar moeder en zusje in een familiegraf op Moscowa in Arnhem. Daisy was geen belijdend of actief lid van de hervormde kerk, maar liet haar onroerende goederen aan die geloofsgemeenschap na.
Werken (selectie en niet in de tekst genoemd)
- Kapellen, Amsterdam 1895
- ‘Van een gang naar de ovens’, in: De Amsterdammer, nr. 1439 (2 januari 1905)
- ‘Oud vrouwtje van Rozande’, in: Eigen Haard 32 (1906), 746-747
- Renovalia, Heelsum 1909
- ‘H.A. van Ingen’, in: Eigen Haard 37 (1911), 45-48
Literatuur
- R. Chamuleau, ‘Een vergeten schrijversfamilie en een vileine freule’, in: Ricochet, nr. 3 (januari 2003), 5-10
- A. de Savornin Lohman, Herinneringen, Amsterdam z.j. [1909]
- P van Wissing, ‘Kunst aan de Veluwezoom. De kunstenaars. vereniging Pictura Veluvensis’, in: D. Verhoeven (red.),Gelderland 1900-2000, Zwolle 2006, 20-25
- P. van Wissing, ‘Trouwen? … trouwen, … meisjes, dat is geen kleinigheid’. Over de ‘combatante’ meisjesboekenschrijfster Daisy Junius (1868-1951)’, in: Arnhem de Genoeglijkste 26 (maart 2006), nr. 1, 29-38
Pieter van Wissing
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 6, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: drs. I.D. Jacobs (eindredactie), drs. C.A.M. Gietman, drs. R.M. Kemperink, dr. J.A.E. Kuys, E. Pelzers en dr. P "van Wissing .W.". Verloren, 2007, pagina's 60-63.
woensdag 2 april 2014
Louis de Bourbon (dichter) is in de gemeente Renkum geboren
Louis Jean Henri Charles Adelberth de Bourbon (Renkum, 27 december 1908 – Arnhem, 8 januari 1975) was een Nederlands dichter en
prozaschrijver.
Bourbon was een achterkleinzoon van de in 1845 te
Delft overleden Franse troonpretendent Karl Wilhelm Naundorff, wiens nazaten - ten
onrechte, zou later blijken - gerechtigd waren de naam Bourbon te
voeren.
Louis de Bourbon studeerde rechten te Nijmegen en
behaalde daar in 1933 de meestertitel. Hij publiceerde zijn literaire werk in Het Venster en later
in De Gemeenschap, waar hij redacteur van werd.
Daarnaast was hij werkzaam in de journalistiek (onder meer in Nederlands Oost-Indië). Van 1938 tot 1941 was
hij burgemeester van Escharen. In 1941 is hij benoemd tot burgemeester van Oss.
Vanwege toenemende onvrede over de maatregelen van de Duitse bezetter nam
Bourbon ontslag in 1943. Hij dook onder bij de kunstschilder Jacques van Mourik in Plasmolen en
ging in het verzet. De Duitse bezetter veroordeelde hem bij verstek ter dood.
Daags na de bevrijding van Oss (19
september 1944) werd Bourbon als waarnemend burgemeester van Oss aangewezen. In
1946 trad hij terug en wijdde zich vooral aan de letteren. Hij trouwde met de
dochter van de man bij wie hij ondergedoken was geweest, Ity van Mourik.
Door de Leuvense professor Jean-Jacques Cassiman werd in 1998
aangetoond dat Naundorffs DNA niet verwant was met dat van familie
De Bourbon. Daaruit kon worden geconcludeerd dat Louis de Bourbon geen nazaat
van Lodewijk XVI is.
Geert H. Maassen heeft het volgende gedocumenteerd in: 2898 Documentatie Renkum 2, Gevonden archiefstukken, nr 702: Louis de Bourbon, Franse troonpretendent, werd geboren in Oosterbeek, woonde uiteindelijk te Doorwerth, stierf aan kanker, en werd begraven op de Algemene Begraafplaats Noord te Oosterbeek (graf B 362), 1975. Fotokopieën van krantenknipsels, 1975.
Lees hier verder
Geert H. Maassen heeft het volgende gedocumenteerd in: 2898 Documentatie Renkum 2, Gevonden archiefstukken, nr 702: Louis de Bourbon, Franse troonpretendent, werd geboren in Oosterbeek, woonde uiteindelijk te Doorwerth, stierf aan kanker, en werd begraven op de Algemene Begraafplaats Noord te Oosterbeek (graf B 362), 1975. Fotokopieën van krantenknipsels, 1975.
Lees hier verder
zaterdag 22 februari 2014
Pieter Jelles Troelstra trouwde in Renkum in 1888
Huwelijksakte van Pieter (Jelles) Troelstra en Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer, Renkum 11 oktober 1888 met kantmelding, en akte van inschrijving van het vonnis van echtscheiding van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, 27 december 1907.
Op 11 oktober 1888 werd te Renkum het huwelijk gesloten tussen de 28- jarige advocaat Pieter Troelstra (1860-1930) en de evenoude Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer (1860-0000), bekender als de schrijfster Nienke van Hichtum.
De sociale nood van de arbeidersklasse bestreed Troelstra - anders dan bijvoorbeeld Domela Nieuwenhuis - via de parlementaire oppositie, door de oprichting van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP); in 1897 vertegenwoordigde hij de SDAP in de Tweede Kamer. In 1903 voerde hij felle debatten met Abraham Kuyper over de spoorwegstaking. Tegen zijn wil in wilde de SDAP in 1913 na de succesvolle verkiezingen geen regeringsverantwoordelijkheid nemen. Een voorgenomen staatsgreep mislukte, en Troelstra erkende zich te hebben vergist in de revolutionaire gezindheid van zijn landgenoten.
De auteur Nienke van Hichtum schreef vanuit maatschappelijke bewogenheid een aantal verhalen, waarin - naar pedagogische opvattingen van toen - 'het kind het kind werd gelaten'. Het meest bekend werd ze met Afke 's tiental, dat inmiddels de vijftigste druk heeft bereikt. De Haagse Jan Campertstichting stelde na haar dood op grond van haar literaire werk de Nienke van Hichtumprijs in voor auteurs van jeugdboeken.
(RAGld, burgerlijke stand, Renkum huwelijken 1888, akte 36)
Op 11 oktober 1888 werd te Renkum het huwelijk gesloten tussen de 28- jarige advocaat Pieter Troelstra (1860-1930) en de evenoude Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer (1860-0000), bekender als de schrijfster Nienke van Hichtum.
De sociale nood van de arbeidersklasse bestreed Troelstra - anders dan bijvoorbeeld Domela Nieuwenhuis - via de parlementaire oppositie, door de oprichting van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP); in 1897 vertegenwoordigde hij de SDAP in de Tweede Kamer. In 1903 voerde hij felle debatten met Abraham Kuyper over de spoorwegstaking. Tegen zijn wil in wilde de SDAP in 1913 na de succesvolle verkiezingen geen regeringsverantwoordelijkheid nemen. Een voorgenomen staatsgreep mislukte, en Troelstra erkende zich te hebben vergist in de revolutionaire gezindheid van zijn landgenoten.
De auteur Nienke van Hichtum schreef vanuit maatschappelijke bewogenheid een aantal verhalen, waarin - naar pedagogische opvattingen van toen - 'het kind het kind werd gelaten'. Het meest bekend werd ze met Afke 's tiental, dat inmiddels de vijftigste druk heeft bereikt. De Haagse Jan Campertstichting stelde na haar dood op grond van haar literaire werk de Nienke van Hichtumprijs in voor auteurs van jeugdboeken.
(RAGld, burgerlijke stand, Renkum huwelijken 1888, akte 36)
zaterdag 15 februari 2014
Paul Johan Reijmer (1882-1952)
Ten onrechte staat op Wikipedia dat deze man de naamgever is van de Reijmerweg in Renkum. Het is bekend dat de archieven van de gemeente Renkum verbrand zijn in WOII. Anders was deze verwarring niet ontstaan.
Paul is wel in Renkum geboren, maar de Reijmerweg had die naam al toen Paul Reijmer nog een jonge man was en bovendien geeft zijn staat van dienst ook geen aanleiding voor deze eer.
Zie bijvoorbeeld http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/bwn3/reijmer. Daar vind je o.a. de volgende passages:
“Reijmer, Paul Johan (1882-1952) ……. Een
ernstige ziekte noodzaakte Reymer in september 1928 zijn financiën te laten
beheren door zijn zwager notaris J.B. Luykx. Deze bemerkte dat Reymer
aanzienlijke ongedekte schulden had die hij hielp saneren.Zie bijvoorbeeld http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/bwn3/reijmer. Daar vind je o.a. de volgende passages:
Daartoe aangezocht door
kabinetsformateur Ruijs de Beerenbrouck, werd Reymer op 10 augustus 1929
minister van Waterstaat. Het bleek geen gelukkige keuze te zijn, omdat hij -
ondanks de aanstelling op 1 april 1930 van J.A. Ringers als directeur-generaal
van Waterstaat - weinig greep kreeg op het omvangrijke ambtelijke apparaat.
H.W. Tilanus vond hem 'als bewindsman weinig constructief' en P.J. Oud noemde
hem achteraf zelfs 'volkomen onministrabel'. Het zendtijdbesluit 1930 van
Reymer, uitgesproken gunstig voor de confessionele omroepen KRO en NCRV, werd
door een meerderheid van het parlement goedgekeurd, maar bracht de AVRO ertoe
het overleg met de minister af te breken.
Na zijn aftreden als minister
in mei 1933 bleef Reymer ambteloos tot 1 januari 1935, toen hij burgemeester
van Roermond werd. In deze gemeente van 17.000 inwoners beheerde hij de
portefeuilles van financiën en onderwijs. Een groot succes is dit latere burgemeesterschap
niet geworden. Hij kreeg als noorderling weinig voeling met de bevolking, wat
hem vooral na de Duitse bezetting in mei 1940 parten zou spelen. Ook al
beschuldigde het illegale blad Oranjepost van 21 september 1941 hem
er ten onrechte van geheim lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB)
te zijn, hij ging wel vrij ver in zijn samenwerking met Duitse instanties en
met de nationaal-socialistische commissaris van de provincie Limburg,
M.V.E.H.J.M. graaf De Marchant et d'Ansembourg. Dit bleek bijvoorbeeld bij het
ontslag dat Reymer de gemeentesecretaris, H.L.M. Kramer, eigenmachtig verleende
op 6 december 1941, en uit het bijwonen van een demonstratie van de
Hitlerjugend en de Nationale Jeugdstorm op 12 juli 1942. Onder overlegging van een
medisch attest vroeg Reymer eind juli 1943 ontslag als burgemeester van
Roermond en als waarnemend burgemeester van Maasniel (sinds december 1941 had
hij die waarneming op zich genomen); dat ontslag werd hem met ingang van 6
september eervol verleend.
Op 6 oktober 1945 werd Reymer -
na zijn aanhouding op 3 oktober 1945 in Haarlem - te Roermond in bewaring
gesteld, verdacht van verraad en samenwerking met de Duitse bezetter. De
betaling van zijn pensioen werd gestaakt. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van
een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen onder oplegging
van beperkende voorwaarden voor een proeftijd van drie jaar (zie o.a. Maas
en Roerbode van 26 en 27 september 1946). Na een lange procedure nam de
minister van Binnenlandse Zaken op 25 maart 1949 het besluit Reymer alsnog
krachtens het Zuiveringsbesluit 1945 te ontslaan en hem vervallen te verklaren
van de pensioenrechten die hij als burgemeester opgebouwd had.
Dit was het trieste einde van
een loopbaan die veelbelovend begonnen was en haar hoogtepunt vond in het
burgemeesterschap van Hilversum (1922-1929). Het ministerschap ging de
bestuurlijke krachten van Reymer te boven, en als burgemeester van Roermond
mislukte hij, vooral toen hij de bezettingsmoeilijkheden niet aankon. Eind 1942
schreef Reymer een brochure:” Het eigen recht van het staatsgezag” (Maastricht,
[1943]), waarin hij het katholicisme in Limburg 'geclericaliseerd' noemde en
een strikte scheiding van kerk en staat bepleitte. Zowel door de inhoud als
door het tijdstip van verschijnen van deze brochure zal hij nog meer
katholieken van zich vervreemd hebben dan tevoren door het maken van schulden
in zijn Hilversumse tijd en door zijn drankgewoonten.”
en tenslotte:
en tenslotte:
“De procureur-fiscaal bij het Bijzonder
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van
een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen.”
Elders op
het internet is sprake van een verklaring van “ontoerekeningsvatbaarheid”. Formeel werden zijn misstappen hem
niet aangerekend, dus.
Heinrich Gerhard Reijmer (1835-1922)
Heinrich Gerhard Reijmer is de naamgever van de Reijmerweg in Renkum en niet zijn zoon Paul Johan Reijmer, zoals Wikipedia aangeeft.
Op het internet[1] vinden we dat Heinrich Gerhard Reijmer op 17-04-1874 is
genaturaliseerd tot Nederlander, dat hij steenfabrikant was en geboren in
Wardhausen, bij Kleef. Heinrich Gerhard was dus een genaturaliseerde
Duitser. Hij was getrouwd met Arnolda Hermina van Wijck en woonde in Renkum. Daar is o.a. zoon Paul
Johan geboren, hun 5e kind.
![]() |
| Renkum GH Reijmer 1889 Gelders Archief fotoalbum 570 |
Volgens genealogische gegevens op het
internet[2] was Heinrich Gerhard op 26 october
1835 geboren in Griethausen, tussen Kleef en de Rijn. Zijn vader was Paulus
Reijmer en zijn moeder Helena Verwaaijen. In Heteren trouwde
Heinrich op 8 september 1874 met Arnolda Hermina van Wijck, dochter van
Richardus van Wijck en Jacoba Aleida Meijer. Van Wijck…dat klinkt bekend!
Inderdaad: Heinrich was getrouwd met een telg uit het steenbakkersgeslacht van
Wijck, aan de overkant van de Jufferswaard. De steenoven van Reijmer zelf lag
verder naar het westen, nog voorbij de steenoven De Ridder. Daarover
vinden we op het internet: Steenfabriek Reijmer - 1873-1896 werd door
aannemer Gerhard Heinrich Reijmer waarschijnlijk gepacht van eigenaar Van
Leeuwen, werd “de Oven van Reijmer” genoemd en stond in de Randwijkse
uiterwaarden in Heteren op de volgende coördinaten: 51° 57'42.67"N en 5°
43'8.56"O.[3] Dat is recht tegenover het huidige
Aan den Rijn ten westen van de Reparco. Er is daar nu een natuurgebiedje en je
vindt er niets meer van de Oven van Reijmer.
Nog steeds zien we geen voldoende redenen om een straat naar te noemen in Renkum, of wel? Nou ja, hij is raadslid en wethouder der gemeente Renkum geweest volgens Geert Maassen, wanneer precies is niet meer of zeer moeilijk te achterhalen. Heinrich is in 1922 gestorven. De vermoedelijke datering van de straatnaam komt overeen met het einde van Heinrich Reijmer’s leven. “Van aanzien” is hij wel geweest, zo te zien. We weten het (nog?) niet precies wat hij allemaal voor Renkum heeft gedaan, zodat deze straat naar hem genoemd is, maar duidelijk is dat zijn zoon dat niet gedaan kán hebben vóórdat de Reijmerweg die naam kreeg.
Nog steeds zien we geen voldoende redenen om een straat naar te noemen in Renkum, of wel? Nou ja, hij is raadslid en wethouder der gemeente Renkum geweest volgens Geert Maassen, wanneer precies is niet meer of zeer moeilijk te achterhalen. Heinrich is in 1922 gestorven. De vermoedelijke datering van de straatnaam komt overeen met het einde van Heinrich Reijmer’s leven. “Van aanzien” is hij wel geweest, zo te zien. We weten het (nog?) niet precies wat hij allemaal voor Renkum heeft gedaan, zodat deze straat naar hem genoemd is, maar duidelijk is dat zijn zoon dat niet gedaan kán hebben vóórdat de Reijmerweg die naam kreeg.
vrijdag 13 december 2013
Renkumer in hart en nieren: Joop Stoorvogel
Woensdag 30 augustus
2000 Hoog en Laag Achtergrond Pagina
7
Renkumer
in hart en nieren: Joop Stoorvogel
“Renkumers
moeten op voorrang op woonruimte krijgen”
Een
serie over geboren en getogen Renkumers. De verhalen die zij vertellen doet het
oude Renkum herleven. Maar ook geven zij hun mening over de huidige situatie in
hun geboortedorp of omgeving.
Door Mieke Mintjes
In het jaar
1937 werd Joop Stoorvogel geboren op de Bellevue.
Hij groeide op, vond werk bij
Van Gelder en later bij een pianofabriek in Ede. Vervolgens reageerde de
destijds 27-jarige op een advertentie en werd postbode. Maar liefst
vierendertig jaar lang fietste en toerde hij als postbode door Renkum en omgeving.
De goedlachse Joop is altijd wel in voor een leuk geintje en heeft in de loop
der jaren al heel wat mensen in het 'ootje' genomen. Gezelligheid troef bij deze
Renkumer, die enthousiast vertelt over zijn werk en dorpsgenoten, maar ook serieus
ingaat op de veranderingen in zijn dorp.
„Ik zag een
advertentie in de krant waarin een postbode gevraagd werd. Ik dacht, verrek,
da 's net een mooi baantje voor mij. Nu stond er in de advertentie dat je een
brief aan de directeur moest schrijven. Het leek mij veel beter om er even
langs te gaan. Directeur Smit woonde naast het postkantoor in de Dorpsstraat.
Ik aangebeld en nadat hij de deur opendeed heb ik mijn naam gezegd en ook dat
ik voor de sollicitatie kwam. Dan moet je een brief schrijven, zei hij. Ik
vertelde hem dat ik toch in de buurt was en dacht dat het zo ook wel kon. Na
wat gemopper van zijn kant mocht ik binnenkomen. Hij vroeg wat algemene
gegevens en zei dat hij me nog een test moest afnemen. Hij vroeg me als ik met
de trein naar Amsterdam zou moeten, hoe ik dan zou reizen. Ik zeg nou, 'eers
noar Ede, door deur noar Utrech en van doar uut noar Amsterdam'. Dat was goed geantwoord!
Na een medische keuring die ok al niks veurstelde kon ik aan de slag."
Ongeveer
anderhalf jaar lang werkte Joop met een arbeiderscontract. Daarna kreeg hij
zijn vast aanstelling en werd beëdigd. „Ja, dan moet je een soort eed afleggen.
Ik moest mee de kluis in. De deur bleef open hoor!"
Na drie
weken met een collega meelopen te hebben, werd de gloednieuwe postbode zelfstandig
en bezorgde keurig de post bij de mensen in zijn wijk. Naast zijn werk in Renkum,
was Joop ook reserve in Heelsum. In dat dorp werkte de post met vier mensen, in
Renkum met ongeveer acht. Bij ziekte of vakantie viel de Renkumer in. „Je kon
de klok er op gelijk zetten, als ik in Heelsum moest invallen had ik altijd de
grootste wijk. Ik weet niet hoe ze het flikten, maar het was wel zo,"
lacht de postbode hartelijk.
Alhoewel de
postbodes, volgens Joop, best een mooi baantje hadden, meent hij dat we niet
moeten vergeten dat de winters vroeger veel strenger waren dan tegenwoordig. Ook
het feit dat alle post per fiets bezorgd moest worden. Sommige routes leidden
de postbodes ver richting Ede. „Je kwam de postbode van Ede tegen! Je moest
alle boerderijen en afgelegen huizen af, dat was een heel eind." Namen als
Dorrestijn, Tinsen, Staadegaard, Penning, Brouwer, Koker, Wisgerhof en vele
anderen passeren als Joop de route uitlegt.
„Bij Huize
de Keijenberg kregen we koffie." De collegae waar Stoorvogel mee werkten,
waren onder andere Jan Ruisch, Wimpie Ruisch, Willie Wildeman, Piet Böhmer,
Evert van Dijk, Frans van de Veen, R. Hoefakker, J. van Weley en als
leermeester trad op Toontje Rus.
Streken
Met een
quasi onschuldig gezicht zegt de voormalige postbode:”Als er bij de post iets
gebeurd was, wees iedereen gelijk naar mij."
Op de vraag eens een paar streken te vertellen lacht hij en vertelt het
volgende verhaal: „Ken je Wout van de Born nog? Hij woonde op de
Keijenbergseweg. De kraakwagen kwam destijds iedere week langs om rommel op te
halen. Ik liep er met de post en zag dat Wout bij de kraak een paar schoenen
neergezet had. Van die hoge kistjes. Gaten in de zolen. Ik denk 'die neem 'k
mee, wöh'! Ik die dingen in de fietstas gedoan. Veertien dagen gewacht, een
mooi doosje opgezocht, oude schoenen erin en er een prachtig postpakket van
gemaakt. Op naar Wout en aangebeld. Dag Stoor, zei hij, wie zou de gulle gever
zijn? Ik zeg 'dat weet je maar nooit', liet hem tekenen en riep 'nou ajuu
heur!' Maar ja, ik moest dezelfde weg ook weer terug. Daar stond de dikke Wout
te schuddebuiken van het lachen. Schik dat hij had!"
Niet alleen
dorpsgenoten konden rekenen op een kwajongensstreek van Joop, ook de andere
postbodes ontkwamen niet aan zijn geintjes. „Iedere morgen rond zes uur bracht
Silfhout vanuit Arnhem de post op het kantoor. Eerst leverde ze de post in Wageningen
af, daarna was Renkum aan de beurt. Ik op een morgen heel vroeg naar het Dorpspleintje
want daar stond een telefooncel. Ik heb het Renkumse postkantoor gebeld en
vertelde dat ik de bestuurder was van de wagen die de post moest afleveren. Maar
dat ik dat niet kon omdat de auto stuk was gegaan en ik onder aan de Wageningse
Berg stond. Of ze de post maar wilde komen halen! Ik hoorde een gevloek en
gemopper! Even later zag ik ze op de fiets aankomen. Hé jongens, waar gaan
jullie naar toe? Op dat moment kwam de wagen met de post aangereden. Och, och,
wat heb ik gelachen."
„Ook Rikke,
de hoofdbesteller, heb ik een keer te pakken gehad. Die ging thuis wel eens een
middagdutje doen. Tussen de eerste en de tweede trans. Om drie uur in de middag
was de volgende dienst. Hij kwam nooit te laat op het werk. Ik ben op een
middag, terwijl hij lag te slapen, naar zijn huis gegaan en heb alle luiken
dichtgedaan. Lekker donker in huis toch? Hij kwam een uur te laat op zijn werk!
Oh ja, hij vroeg in de Kersttijd ook eens om een kerstboom. Na de kerst heb ik
de inmiddels kale kerstboom van ons thuis, bij hem in de tuin gezet. Ja echt,
al die dingen kon je vroeger gewoon uithalen. Ik heb bij de post echt een leuke
tijd gehad," meent de grappenmaker met tranen in de ogen van het lachen.
„Weet je, er kwam eens een collega van mij met de post een hof pad oplopen. De
mevrouw die daar woonde vroeg hem 'je leest onze post toch niet hè?' Waarop de
collega antwoordde 'dat zou ik nooit doen mevrouw, maar u krijgt zondag wel
visite."
Paardrijden
Als kleine
jongen heeft Joop uiteraard ook het nodige meegemaakt in zijn dorp. „Ik weet
nog goed dat als we vroeg in de morgen naar de Wilhelminaschool gingen, we voorbij
de boerderij van Peelen kwamen. Daar hadden ze vaak een vrachtwagen gekookte
piepers neergekiept. Als varkensvoer. Die piepers waren nog gloeiend heet. Wij
pakten dan een handvol op, haalde de schil eraf en aten die dingen op." „Op
onze vrije woensdagmiddag gingen we ook naar Peelen. Dan mocht je met de
voerman mee. Prachtig! Later in de middag, tegen zes uur werden de paarden in een
lange rij aan elkaar gebonden en naar de wei bij Onder de Bomen gebracht. De
kinderen mochten op de paarden zitten. Wie te laat kwam had pech. En ja, het is
feitelijk een rotstreek, maar dan jaagden we die paarden wel op. Net zolang tot
er één van de kinderen van het paard duvelde. Dan sprong je er gauw op."
Net als veel
dorpsgenoten heeft Joop zich ook vermaakt met het rapen van eikels, beukennootjes
en tamme kastanjes. Die werden voor een paar centen verkocht aan Nellestein de
kolenboer. Ook bosbessen plukken was een geliefde bezigheid van veel Renkumers.
Ze maakten er jam en dergelijke van. „Wij verkochten de bosbessen aan een
mevrouw die aan de Utrechtseweg woonde. Daar kreeg je 'goed' geld! Maar dan ging
mijn moeder mee, die inde de centen!"
Joop Stoorvogel
is geboren op de Bellevue, maar verhuisde al op jonge leeftijd naar de
Groenendaalseweg. „Niemand had daar riolering. De gierput moest twee keer per jaar
geleegd worden. Dat mocht pas na tien uur in de avond. Bij ons thuis waren drie
jongens. Als mijn vader van zijn werk bij Van Gelder thuis kwam, zaten wij al
met twee teilen te wachten. De put hadden we overdag al open gegraven. We
hoefden alleen de deksel er af te halen. Vader schepte met een gierschep de smurrie
in de teilen, wij gooiden het spul over het land. Dat stonk natuurlijk
vreselijk. Als mensen dat roken zeiden ze, daar hebben ze bruiloft."
Woonjaren
Over het
huidige Renkum heeft Joop zo zijn eigen gedachten. „Ieder jaar heb je hier
Renkum Bomvol. Meneer Hageman is van de organisatie. Ik zou hem eens willen
vragen of de organisatie niet de muziekverenigingen in Renkum en Heelsum de
gelegenheid wil geven om tijdens die dag te spelen. Ze willen best, maar willen
wel gevraagd worden. De laatste keer ben ik bij Renkum Bomvol geweest. Ik vond
het een dooie boel! Zo hier en daar op een hoek een stel muzikanten is veel
gezelliger.''
Het Renkum
van tegenwoordig kun je niet vergelijken met vroeger, is Joop van mening. „Het
is een heleboel import. Wat me tegen de borst stoot is het volgende. Neem nu mij
bijvoorbeeld. Ik ben twee jaar geleden verhuisd. Veronderstel dat ik het op
mijn huidige adres niet naar mijn zin zou hebben (wat overigens niet het geval
is). Als ik naar de woningstichting ga om een ander huis te vragen is de procedure
tegenwoordig dat ik dan twee zogenaamde 'woonjaren' heb. Heeft iemand uit
bijvoorbeeld Nijmegen vijf woonjaren, heeft die persoon voorrang en krijgt dus
het huis dat ik wellicht graag zou willen bewonen. Nou, da vin 'k maar niks! Ik
vind dat de echte Renkumers voorrang op woonruimte moeten hebben. Wij Renkumers
komen bijna niet aan bod. Maar wie heeft Renkum opgebouwd? Dat zijn wél de
Renkumers!"
Uiteraard
voor Joop Stoorvogel ook de vraag hoe hij over het plaatselijk dialect denkt.
Hij lacht eens omdat hij het hele gesprek in het dialect gevoerd heeft. „Wij
hebbe een mooi dialec en da wou 'k graag zo houwe! As ik anders pröat heur ik
mezelf. Ik bin hier gebore en getoge. Ik bin een Renkumer en da w' ik
blijve!!"
Abonneren op:
Posts (Atom)



